yang, 2008 nr. 3

Het meest romantische tijdschrift in de Nederlanden is/was ongetwijfeld Yang. Ze hebben nu een dossier aan zichzelf gewijd. Typisch voor romantici is hun huiver voor cijfers en andere werkelijkheden. Ik heb hier vroeger al gewezen op Marc Reugebrinks eigenaardige opvattingen over aantallen. Op p. 375 begint hij zijn artikel aldus: ‘Het is in de deeltjesversneller die het literaire bedrijf is geworden inmiddels alweer een eeuwigheid geleden dat David van Reybrouck de allereerste Hugo Clausproloog uitsprak, een lezing voorafgaand aan de uitreiking van de VSB poëzieprijs afgelopen april.’ Nog afgezien van het teveel aan woorden, ontsnapt mij de betekenis van deze tijdsopvatting. Het zal ironie zijn - dat soms het hulpmiddel van de zwakkeren geworden is.

In dit nummer wordt het boek ‘Romantik’ van Rüdiger Safranski ‘besproken’. De recensent Koen van Baelen is Safranski erkentelijk omdat hij hem doet beseffen dat de Duitse romantici onderling verschillend zijn. Zo, dat weten we dan ook. Dit artikel wordt ontsierd door stijlfiguren als ‘vroegromantische titaantjes’, het gebruik van het woord ‘kortom’, zinnen als ‘werkt hij vooral toe naar’, gewichtige opvulsels als ‘algemeen gesteld’, onjuist woordgebruik als ‘Schiller als instigator’, essentialistische opvattingen als ‘de onoplosbare tegenstrijdigheden van de menselijke geest’, een tendentieus en verkeerd woord als ‘Safranski’s geperverteerd romantische opvatting’.  Een onduidelijke zin als ‘Doordat hij monocausale verbanden weet te vermijden, is zijn analyse van het nazistische gedachtegoed een mooi staaltje geschiedenisonderzoek – al wringt het in een onverkwikkelijke kwestie als deze des te meer dat verschillende romantici en romantische ideeën (zoals de ‘romantische ironie’) in een zaak worden meegesleurd waar ze volstrekt niet, ook niet indirect, verantwoordelijk voor kunnen worden gesteld.’ is een schoolvoorbeeld van het pastoorsproza: slaan en zalven, wierook strooien, lucht verplaatsen.

Er is een slordig denken: wat is het verschil tussen ‘vroegste romantici’ en ‘romantici van het eerste uur’? Hij bespreekt de stelling van Safranski maar betrekt op een ongehoorde wijze zijn eigen (verkeerde) opvattingen in het betoog. Hij gebruikt daarvoor bijvoorbeeld de retorische truc ‘Als we ervan uitgaan dat kunst …’: de valsheid van het woord ‘we’, de voorzichtigheid van het woord ‘als’ maar de zekerheid (tussen jij en ik) van het woord ‘uitgaan’ lokt de lezer in de val. Plots is dit een volledigheid, een waarheid, een feit. Quod non.

Maar het zijn vooral de domheden die hier weer gedebiteerd worden. Van Baelen spreekt over de obscene achterkant van het redelijke en daarmee bedoelt hij het markteconomische denken. Beide met elkaar gelijk stellen, is een obsceen en vuil denken. Het is dit soort slordigheden dat aantoont of iemand al dan niet kan denken. Je kunt wel alles samen gooien maar niet iedereen is in staat om er een hutspot van te maken. De meesten tonen alleen hun eigen mestvaalt.

Kunst heeft volgens Van Baelen de ‘potentie om ideologieën aan een radicale kritiek te onderwerpen’. En daar is het weer, het woord ‘radicaal’, de minnares der alcoholisten. Radicaal, verticaal, horizontaal, platte taal. Van Baelen heeft een essentialistische opvatting over kunst. Die is volgens hem ‘wezenlijk onaangepast’. Ja, dat zal de reden zijn waarom er zoveel geld gegeven wordt aan kunstwerken. En waar is de kunst te zien, te horen, te lezen die zo ‘wezenlijk onaangepast is’? Van Baelen verwijt Safranski zijn werkelijkheidsbeschrijving. Hij verwijt hem dat hij géén romanticus is, dat hij inziet dat de rol van kunst anders geworden is. Van Baelen droomt van kunst die de wereld kan veranderen, die niet burgerlijk is. Hij beschrijft een kunst die niet bestaat: er is geen kunst ‘die andere vormen van denken, ervaren en leven kan laten zien’ want kunst is een product van de maatschappij. Van Baelen wil vluchten, in de wei dartelen, op zijn fluitje spelen, alcohol drinken. Zijn laatste zin ‘Maar wordt deze ‘kranke’ en weinig ‘schöne Weltfremdheit’ niet gekenmerkt door de bewonderenswaardige weigering om wezenlijke gevoelens, ervaringen en inzichten op te offeren aan het alles tot ‘Kultur’ vermalend monster maatschappij’ is een samenvatting van alle redenen waarom dit artikel arrogant en dom is.

Wat is hier gebeurd? Koen Van Baelen is redacteur van het tijdschrift ‘De leeswolf’. Marc Reugebrink krijgt een faveurke van ‘De leeswolf’ en dus mag de redacteur in het tijdschrift van Reugebrink publiceren. Kleine wereld? Incest? Krampachtige poging Bourdieu gelijk te geven? Niets van dit alles. Petit bourgeois, petit esprit.