willy roggeman (2)
Kafka, Valéry, Adorno, Bach, Proust, Musil, Alain, ter Braak, Dostojevski, Barthes, Carl Einstein, Nietzsche, Gide, Freud, Beckett en Benn. Hij klaagt over zijn lichaam. In sommige stukken van het ‘Practicum’ beschrijft hij hoe ‘het’ niet meer gaat maar nergens ervaar je in de schriftuur zelf de fysieke moeilijkheden van het schrijven. ‘Practicum, of Het steriele schrijven’ van Willy Roggeman is iets eigenaardigs. Het is uiteindelijk een boek geworden maar de schrijver zelf schrijft dat hij geen boek wil. ‘Het (practicum] behoedt mij voor het schijven van boeken. Nauwkeuriger: het schakelt een aantal miskramen uit.’ Of: ‘Ik besef nu dat er vele manieren zijn om aan het maken van een boek te ontsnappen, tot nog toe heb ik mij met de gemakkelijkste van plan getrokken. De fameuste bestaat erin voortdurend over het te schrijven boek na te denken, […].’ Of: ‘Nu wil ik weer op de andere manier schrijven, analoog met die van het boeken maken, maar in dit geval gericht op het niet gedaan maken van een tekst zodat hij eigenlijk nooit boek wordt.’
Maar toch, als hij X aantal bladzijden heeft, wil hij het manuscript inbinden. Er een afgerond geheel van maken. Dus wel een boek. Nee, zegt Roggeman, dit is ook geen ‘journaal’. Nee, er is geen inhoud, geen anekdotiek, geen persoonlijkheid maar wel ‘bevestigt het denkmogelijkheden in taal. Stricto sensu bevestigt het alleen tekst.’
Toch gaat het boek over iets, zijn er onderwerpen en muziekjes. Roggeman neemt zelfs zichzelf als onderwerp. Soms objectiveert hij (‘je’, ‘hij’). Soms vermomt hij zich al te doorzichtig als bijvoorbeeld Boris Dagoelash. Maar hoe dan ook, steeds is de schrijver aanwezig. We lezen Roggeman om zijn worstelingen met andere denksystemen.
Soms is hij ook grappig. Hij heeft het over de ‘Cahiers’ van Gide en hoe die in de Pléiade-uitgave slecht geredigeerd zijn. Hij schrijft: ‘Nogmaals een bewijs van de gevaren die opduiken zodra filologen menen het beter te kunnen doen.’ Het archief van Roggeman wordt beheerd aan de universiteit van Gent.
Hij bepaalt zichzelf, hij maakt een standpunt tegenover andere schrijvers (zie hierboven). Hij nuanceert of nuanceert niet. In sommige stukken lees je tenenkrullende Nietzsche-idolatrie, in andere haalt hij Nietzsche terecht naar beneden.
Roggeman ‘behoort’ tot een romantische avant-garde die het hamerdenken verwart met denken. Men moet straf zijn. Het gaat hem niet om waarheid, maar om de kracht van de tekst. Zo schrijft hij over Ortega y Gasset: ‘Zijn essays, vrij van systeemdwang en zelden pedant, missen die trekken van onontkoombaarheid, van onweerlegbaarheid die de groten ook nog hebben wanneer hun uiteenzettingen fout zijn of hun speculaties door de wetenschappelijke navorsing achterhaald. Een van de goedkope kwaliteiten van een tekst is dat de schrijver ‘gelijk heeft’, een van de grote charmes is dat de tekst nog fascineert wanneer hij naar ‘inhoud’ verkeerd is.’
Het is alsof het er allemaal niet om doet: schrijf, maar schrijf subliem. Dit is het moment waar de literatuur op een dood spoor gekomen is. De ontkoppeling van waarheid en tekst heeft geleid tot een vrijblijvendheid –zowel bij de publieksschrijvers als bij de literatuurschrijvers. De ene te weinig tekst, de ander te veel wolken. Is het dan ook te verwonderen dat de literatuurwetenschap zelf geen wetenschap meer is maar een plek waar iedereen om het even wat mag debiteren en waar de onnozelste ganzen de meeste navolgers kennen? Schrijvers als William Marx, Tzvetan Todorov, Milan Kundera, Alvin Kernan of Jacques Bouveresse herhalen steeds weer: de mot zit in de literatuur zelf. Tegelijkertijd weten we dat het standpunt van Roggeman géén onnozelheid is.
Bij Roggeman heeft dit ook te maken met zijn eenzijdige visie op de filosofie. Hij schrijft: ‘Het filosofisch denken is in die zin kinderlijk en eigenzinnig dat het zichzelf de enige vorm van rechtvaardige continuïteit weigert: de controleerbaarheid en verifieerbaarheid van de gedane proposities.’ Hier wordt filosofie verengd tot het Leuvense stoofdenken.
Er zijn echter ook analyses die je vol bewondering leest. Zo bijvoorbeeld schrijft hij over het falen van de Verlichting: ‘Omdat zij in wezen een uitzonderlijk hoog ethisch besef vooropstelde waarvan de universalisering antropologisch onmogelijk was. Namelijk het besef dat de mens inzicht en waarheid uit vrije wil nastreeft in de optiek van het geluk.’ En verder stelt hij: ‘Moraal is steeds een zaak van het individu.’
Er zijn ook zinnen die een wereld neerzetten. Over zijn studeerkamer: ‘Het is duidelijk geen kamer voor mensen, wel voor dingen en voor één mens die met die dingen leeft.’ Dus wel: boekcultuur.