leegte lacht_tonnus oosterhoff (2)

Handschreeuwkoor

In ‘Leegte lacht’ van Tonnus Oosterhoff is — alweer — het leven de basis van het dichten. Niet omgekeerd. Deze poëzie is niet geschreven vanuit de vorm maar vanuit de ervaring, het leven. De vorm ligt op het levensgevoel, de feiten, de gewaarwordingen.

De bundel ‘Handschreeuwkoor’ (2008) bestond uit 5 afdelingen: ‘ga even liggen en stond niet meer op’, ‘wie trekt mijn dood lichaam uit bed?’, ‘voor afstand gedacht’, ‘hand schreeuw koor’ en ‘avia pieridum’. De laatste afdeling is een verwijzing naar Lucretius en werd hier al eerder beschreven. ‘Voor afstand gedacht’ bestaat uit 3 bladen: 1 en 2 het handschrift van Oosterhoff, 3 een gedrukte tekst, overigens het enige typografisch gedrukte gedicht in deze bundel. Dit gedicht wordt in ‘Leegte lacht’ overgenomen op pagina 56, het voorlaatste gedicht. Op de twee handgeschreven versies zie je o.a. hoe de dichter twijfelt tussen ‘ik’ en ‘je’: ‘Vannacht zat ik rechtop’ werd ‘Vannacht ging je rechtop zitten…’. In de laatste afdeling komen de woorden ‘Je keek in me’ nog terug: daar krijgen ze de status van een geschrokkenheid, een angst. De herhaling bevat ongeloof, onthutstheid.

Wat is de status van dit handschrift? Het zou nogal romantisch-naïef zijn te denken dat Oosterhoff hier wat kriebelkrabbel doet en dat daaruit dan, zo maar, meestergedichten ontspruiten. Wat zou men denken als er eerst het gedicht en pas later het handschrift was? Wat als Oosterhoff het hier niet over de genese van een gedicht wil hebben maar over de status van het schrift? Dat de gedichten in de Drukseluitgave intiemer en persoonlijker zijn dan in een reguliere bundel, is evident. Typografie is een objectivering van een persoonlijke status. Handschrift behoort tot de intieme sfeer, gedrukte letters tot de publieke ruimte. De paradox is dat Oosterhoff ook dat persoonlijke in een boek en dus in de publieke ruimte heeft ondergebracht. Maar dan wordt de twijfel weggenomen en staat het gedicht daar als een afgerond werkstuk. Het gedrukte gedicht bedekt het andere gedicht. Er is een afstand tussen auteur en lezer, tussen mens x en mens y. In het gedicht staat ‘kudde’ maar misschien is dit een verwijzing naar ‘koor’: de bundel is een koor van handschreeuwen, van op het papier geschreven woorden. ‘Je legt je hand op de onrustige kudde / ver uit staan de ogen.’ De tweede regel duidt op angst, verlatenheid. De redding is de verwijdering, het loslaten: ‘Maar wij zijn voor afstand gedacht, / gebouwd en gebruikt.’

Het gaat over leven en gezondheid. Oosterhoff analyseert en beschrijft zijn eigen gedrag nauwkeurig. Hij trekt conclusies, hij moet zijn vrees bevestigen. Maar dit leven van struikelen, vallen, hinken en verbinden is de basis van het dichterschap. De brokstukken worden aaneengesmeed tot een bundel, zoals het leven een leven wordt. En meteen: een ongeloof in de cultuur: ‘spraak zonder klank, ware kennis.’ (48)

In deze bundel zijn er enkele verwijzingen naar het (nachtelijke) schrijven, de krabbels. Zoals: ‘Teerzwart papier. / Nog zwartere inkt. / De duivel schrijven.’ (19); ‘..y(? onleesbaar)rna’ (25)‘Het plafond schrijft hanepoten lamplicht.’ (25); ‘Nachtkrabbel, ’t is nachtkrabbel   in het donker   zijn alle’ (37); ‘Lezers zijn stel je voor als jonge vaders. […] Ze horen schreeuwen. Chirurg of patiënt?’ (39); 'Half één, nachtkrabbel.' (40).

Oosterhoff geeft de leegte vorm: hij verbindt en heelt. Maar: ‘Wat wij verbinden valt in ons gele doodshoofd weer / uit en uiteen.’ (42). Handgeschreven tekst wordt voor de intieme sfeer bestemd. Bij Tonnus Oosterhoff is veel onleesbaar gemaakt, er zijn woorden over elkaar heen geschreven en sommige tekstdelen zijn doelbewust niet te ontcijferen. Geschreven tekst is een uiting van een individu, een persoonlijkheid. Door de onleesbaarheid wordt de eenzaamheid bevestigd en vergroot.

Verlatenheid. We naderen Hölderlin.