hansje zegt zijn gedachtje

Moeheid overvalt je bij het lezen van Rekto:Verso. Niet dat de onderwerpen niet interessant of relevant zouden zijn, maar wel wat de auteurs er altijd van maken. Oppervlakkig, gemakzuchtig, metafysisch. Zichzelf op de borst kloppend, terwijl iedereen weet dat dit soort tijdschriften bestaat opdat de auteurs gesubsidieerd zouden kunnen worden en opdat ze zouden kunnen zeggen: ‘Zie je wel, ik publiceer.’ Incest.

In Rekto:Verso van september/oktober 2011 laat Hans Demeyer zijn lichtje schijnen boven de ‘commerciële en onafhankelijke uitgeverij’. Hans Demeyer doet onderzoek naar ‘de rol en de innovatieve functie van het lichaam in de Nederlandstalige prozavernieuwing 1960-1970’. De preoccupatie met het lichaam is bij metafysici altijd opvallend en lichtelijk hilarisch.

De basisstelling van Demeyer: de kleine, onafhankelijke uitgeverijen hebben een nieuwe rol te spelen nu de commerciële uitgeverijen de eenvormigheid prediken. Deze basisstelling is al fout. Demeyer leeft nog in de kinderwereld van cowboys en indianen. Er zijn goeden en er zijn slechten. De niet-commerciële uitgeverij is niet noodzakelijk onafhankelijk en omgekeerd is dat zeker het geval. De kleine uitgeverij kan even goed het spel van de eenvormigheid spelen.

Demeyer doet géén eigen onderzoek –qua wetenschappelijkheid is zijn artikel van generlei waarde en als journalistiek stuk zou het enkel in De Morgen gepubliceerd kunnen worden. Bovendien is dit artikel geen standpunt van een onafhankelijke geest. Integendeel, er wordt een belang gediend.

Om zijn gedachtje te larderen heeft Demeyer vier ‘kleine uitgeverijen’ gevraagd hoe zij ‘timmeren aan hun culturele, symbolische en economische profiel’. (Door de gebruikte woordenschat wéét je bij het begin van het ‘artikel’ al wat de uitkomst zal zijn. Van éénvormig denken gesproken.) Het gaat om ‘het balanseer’, IJzer, Perdu en Voetnoot. De keuze kan verrassend zijn omdat we met zeer ongelijksoortige uitgeverijen te maken hebben en dat er zelfs 1 bij is (Perdu) die in de nieuwe constellatie nog niets gedaan heeft. Je zou toch minstens kunnen verwachten dat ook de Contrabas gehoord zou worden.

Demeyer constateert een schaalvergroting en die gaat gepaard met eenvormigheid. (De eenvormigheid heeft echter te maken met een deformatie van het modernisme, maar zover is Demeyer nog niet.) Hij citeert Marc Kregting die ooit geschreven heeft dat de serieuze auteurs en redacteuren nu onafhankelijke uitgeverijen (in diens woorden ‘huisjes’) beginnen. Het probleem met Kregting was dat zijn betoog geschraagd werd door waarden en praktijken uit het verleden en dat hij het heden niet als basis nam. Ondertussen hebben we nog niet veel gemerkt van het romantische idee van die onafhankelijke ‘huisjes’. Integendeel, die ‘serieuze auteurs en redacteuren’ tonen geen enkele solidariteit (of marktinzicht) met de kleine uitgeverij.

Demeyer bekritiseert Laurens van Krevelen omdat deze pleitte voor een ‘kritische tegenmacht’ van kleine uitgeverijen. Nee, niet tégenmacht maar macht moet het zijn voor Demeyer. Niet de marge moet het zijn, maar het centrum! Deze passage zegt veel over de ambitie van Demeyer en de trappen die hij zal nemen/zal geven.

De leugenachtige romantiek van Demeyer: ‘Zelf profileren de kleine uitgeverijen zich als huizen die drijven op idealisme en passie voor het boek.’ Wie het woord passie in de mond neemt, weet niets van boekcultuur. Want ook bij de kleine uitgeverijen komt het aan op een degelijke bedrijfsvoering. En hier schiet Demeyer natuurlijk tekort. Om enigszins relevant te zijn, had dit artikel een inzicht moeten geven in de boekhouding. Waar komen de financiën vandaan? Hoe worden de boeken gefinancierd? Want zoveel idealisme en passie is het niet als een boek maar uitgegeven wordt als de subsidiëring alle kosten dekt. Een uitgeverij die met subsidies moet werken, is dan ook géén onafhankelijke uitgeverij en zeker niet kritisch. Veeleer is het zo dat een bepaalde soort experimentele literatuur ingezet wordt als een profileringsdwang van derden: 'Zie mij kritisch zijn.'. En tegelijkertijd wordt de irrelevantie benadrukt: slechts studie-object (slechts museumstuk).

Is het uitgeven van Mortier en Hertmans een daad van kritische macht, een opstand tegen de eenvormigheid? Ik weet wel dat de Belgische redacteur van de Belgica-reeks van Voetnoot tomeloos tekortschiet en niet op de hoogte is van ‘Belgische parels’ maar ook het uitgeven van klein werk van Hrabal of Vivant Denon of Kundera of Diderot, enz. zijn toch geen voorbeelden van een kritische tegenmacht (o sorry, een macht)? (Alles wat hier gezegd wordt gaat niet in tegen of bekritiseert de uitgeverijen maar wél de context waarin deze mensen geplaatst worden.) En waarom publiceert een uitgeverij als IJzer ook een boek als ‘Inleiding organisatieprocessen’? En waarom wordt de Nederlandse vertaling van de ‘Malleus Malificarum’ een avant-gardedaad genoemd? En vooral waarom zou dit boek door ‘honderdduizend mensen gelezen moeten worden?’ Wat is hier de meerwaarde? De polyfonie? Het symbolisch profiel?

Perdu zegt ons dat het fonds ‘zeer herkenbaar [is], zeker voor wie ook houdt van experimentele literatuur’ maar zegt niet welke projecten op stapel staan. Meer zelfs, in een zeker opzicht wordt hier het kapitalistisch principe in de praktijk gebracht: door zelf gesubsidieerde uitgaven op de markt te brengen, maakt men andere initiatieven kapot. ‘Het balanseer’ geeft (gaf) vooral de oude Vlaamse avant-garde uit. Maar hoe relevant is dit voor de huidige praktijk? Het uitgeven van Krijgelmans is een historiserende daad –goed voor de universiteit- maar is in de praktijk van vandaag een dode stem. Hoe kan men immers een auteur serieus nemen die het eigen project niet heeft kunnen volvoeren en blijft schrijven op de rand van dat waarin hij net niet geslaagd is? En dus ter plaatse blijft trappelen – net zoals ook Pol Hoste of Willy Roggeman dat doen. In het geval van Krijgelmans wéét de uitgever wat hij aan mij ‘te danken’ heeft en dus is dit géén kritiek op het uitgeven van Krijgelmans (of Hoste en Roggeman). Het zijn schrijvers die een standpunt vertolken en zoals elk standpunt moet ook dit uitgegeven kunnen worden.

M.a.w. Demeyer vertelt ons een romantisch verhaaltje, een leugen. Hij gebruikt daarvoor woorden als passie, idealisme, polyfonie. Demeyer concludeert: ‘Daar manifesteert zich de culturele rol en functie van de kleine, onafhankelijke uitgeverijen. Zij brengen een noodzakelijke aanvulling op wat is, verrijken de literaire cultuur en bieden een verruimd begrip van wat literatuur is en vermag.’ Uit de vorige alinea blijkt echter dat wat Demeyer hier schrijft metafysica is. ‘Ergens’ zal dat wel in een droom geschreven staan, de voorbeelden die hij geeft zijn juist een ontkenning hiervan. Een lichte uitzondering voor ‘het balanseer’ omdat die nog auteurs brengt die anders niet uitgegeven zouden worden maar slechts een licht uitzondering omdat hun (belangrijke) werk al lang geleden is.

En ook voor IJzer geldt dit. Niet de vertalingen zijn het belangrijkste maar wel de uitgave van Paul Bogaers’ boek ‘Onderlangs’. Maar ook dit boek heeft een historiserend motief en heeft geen nieuwe vorm gebracht of een origineel standpunt vertolkt. We zijn vooral geïmponeerd door de werkkracht van de auteur en geëmotioneerd bij het ons verbeelden van het vele zinloze lezen voor het volbrengen van dit project.

Demeyer zal zeggen dat ik hem te kort doe want hij vermeldt wél experimentele, hedendaagse Nederlandstalige auteurs. Daaronder een aantal hierboven genoemde maar ook mensen als Kregting, Lindner en van der Vegt – waarvan de eerste twee ook bij ‘grote’ uitgevers publiceren (of publiceerden?). Wat opvalt bij dit rijtje is de volstrekte vrijblijvendheid ervan. Waarom geen Spinoy, geen van Bastelaere, geen van Adrichem, geen Lauwereyns, geen … ? Maar vooral waarom geen Elisabeth Tonnard? Want als er iemand is wiens werk in het Nederlandstalig gebied niet begrepen wordt (door de ‘serieuze redacteurs’, ‘serieuze’ literatuurwetenschappers en ‘serieuze’ (passionele!) uitgevers) én tot de huidige internationale avant-garde behoort, is het wel Tonnard. Demeyer doet niet alleen zijn werk niet, hij kent ook zijn onderwerp niet. Dit alles getuigt ook van de typische metafysische logica. Ik benoem X tot Y en dus zijn alle elementen die tot X behoren ook Y. M.a.w. ik zeg dat uitgeverij X relevant is, dus zijn alle auteurs van uitgeverij X relevant en omdat ik de anderen niet noem, zijn de anderen dat dan ook niet.

Dan spreekt Demeyer nog wat in gemeenplaatsen (hij geeft 1 voorbeeld om het redactionele werk te loven) – die hier echter niet relevant zijn. Wacht, loop niet weg, want… Hier komt het grote idee van Hans Demeyer. We noemen het het Hans-gedacht (en wil de West-Vlaming van dienst dit op zijn West-Vlaams uitspreken?). ‘[Het] lijkt […] mij noodzakelijk dat er zich in de boekenwereld twee gelijke [sic] circuits vormen. Het ene bestaat uit de concernuitgeverijen die de markt bedienen, het andere uit kleine, onafhankelijke uitgeverijen die zich richten op literaire polyfonie en vernieuwing.’ Hallelujah! (3 maal)

Een variante op het Hans-gedacht is. ‘In de dierenwereld moeten er zich twee grote circuits bevinden. In het ene circuit zitten de grote dieren, in het andere de kleine. En de grote mogen niet aan de kleine komen. En de kleine zijn gelijk aan de grote. De kleine fluiten en piepen van jewelste. De grote brommen. Maar iedereen is gelijkwaardig.’ Dit is in de politieke filosofie de theorie van de machthebbers. Het is een reactionair denken omdat het spreekt alsof de wereld bestaat uit vlinders en bijtjes en dat er geen overmacht is. Dat de zaken naast elkaar kunnen bestaan. Het doldwaze ‘en-en’-verhaal [sic].

Maar Demeyer heeft zijn Hans-gedacht zelfs uitgewerkt. Wat moet er gebeuren om tot twee circuits te komen? 4 stappen.

1. een economische injectie die de uitgeverijen steunt. Demeyer zegt niet van waar die injectie moet komen. We veronderstellen dat hij aast op staatssteun. Hoe een staatsuitgeverij onafhankelijk kan zijn, legt Demeyer niet uit. Maar bovendien getuigt dit van een slavenmentaliteit. Het is de kruiper die zijn hand ophoudt en smeekt en daarmee niets oplost. Subsidies bevriezen een situatie.

2. een logistiek-technologisch steunpunt. Ook dit is de valstrik van de politiek. (Derderangspolitici richten steunpunten op omdat ze zelf geen beleid kunnen voeren.)  Heeft Demeyer de voorbije jaren dan blind rondgelopen en niet gezien hoe de overheidssteunpunten juist de eenvormigheid opgelegd hebben en alle kritische stemmen gesmoord zijn? De inhoud die Demeyer aan dit centrum geeft is te belachelijk om hier te verwoorden. Dit is het leeg jargon dat gebruikt wordt om subsidies te krijgen. Overigens, de literaire tijdschriften hébben zo’n overkoepelend instrument gehad – en wat is daarvan overgebleven? Wat is daarvan het resultaat geweest? Ook punt 2 is een maat voor niets.

3. is zo mogelijk nog lachwekkender –want volledig los van de wereld. Ik citeer letterlijk het volledige punt –dat dit ook taalkundig nergens op slaat, is de denkkracht van het Hans-idee: ‘De beroepsdeontologie van kwaliteitsvolle auteurs en redacteurs om afscheid te nemen van de concernuitgeverijen, en hun manuscripten aan te bieden aan bestaande kleine uitgeverijen (of er zelf een opstarten).’ En wat dit laatste betreft: Demeyer zwijgt over de distributie.

Van 4. tenslotte zou je mogen verwachten dat dit de sluitsteen van het hele Hans-gedacht is. Spits uw oren! Het luidt als volgt: ‘De uitbouw van een kritische receptie.’

Et voilà, hierbij hebt u kunnen genieten van een waarlijk groots inzicht. Dat dit helemaal niets waard is, zullen mijn lezers kunnen bevestigen. Vanavond hebben we ons onledig gehouden met universitaire onzin.  Demeyer spreekt immers niet over de huidige cultuursituatie, noch over het huidig leesgedrag. De lezer én de koper van literatuur hebben nauwelijks een plaats gekregen in het Hans-gedacht. Nochtans gaat het ook over hen. En is de situatie redelijk simpel. Als alle literatuurwetenschappers hun eigen belang zouden onderkennen (maar daarvoor moeten ze ook inzichtelijk kunnen denken), zouden ze ook zelf boeken kopen. Indien alle zogenaamde redders van het serieuze boek nu eindelijk eens zelf een boek zouden kopen, dan zou er ook meer uitgegeven kunnen worden en zou er zelfs meer kwaliteitswerk geleverd kunnen worden. Wil men de diversiteit, verscheidenheid dan moet men er ook zelf iets voor doen. Men moet dus boeken kopen. Wie bij de overheid gaat schreien, toont zichzelf een nietsnut.

Maar de praktijk die ik ken, is juist het tegenovergestelde. Van al die zogenaamde verdedigers van de marge (of zoals Demeyer het wil hebben: de marge in het centrum) ken ik geen kopers. Integendeel, ik ken er die niet het boek willen kopen maar wel de pdf vragen. Kan men een uitgever en een auteur nog meer beledigen?

Demeyer kijkt in eigen boezem en schrijft: ‘Ook de universiteit moet een rol spelen: leden van de afdelingen Letterkunde zouden als deel van hun maatschappelijke dienstverlening hun kennis gratis moeten aanbieden aan verschillende media.’ Op 26 oktober presenteerde Hans Demeyer in Passa Porta ‘Aan barrels’, een boek van Harry Vaandrager, een uitgave van ‘het balanseer’. Maatschappelijke dienstverlening staat soms wetenschappelijke objectiviteit in de weg. Het is ook opvallend dat Demeyer in zijn artikel zwijgt over deze samenwerking tussen 'het balanseer' en 'Nijgh & van Ditmar', wat toch een niet onbelangrijk nieuw gegeven is.

En nogmaals: het werk van de hierboven genoemde uitgeverijen staat boven elke discussie. Ook het werk van de individuele uitgevers verdient alle respect, net zoals dat ook voor hun auteurs geldt. Wat wel moet aangeklaagd worden is de ideologie die in het luchtledige met niet-feitelijke gegevens geconstrueerd wordt en boven de realiteit gezet wordt. Demeyer beschrijft niet de werkelijkheid maar maakt een constructie. Niet om de praktijk te beschrijven maar om het eigen standpunt interessant te maken: zie mij experimenteel zijn. Het is metafysica. Theologie.

Uitgeverijen zouden moeten weigeren voor de kar gespannen te worden van hen die zich op de rug van anderen willen profileren. En daartoe benedenmaats werk afleveren. Onafhankelijkheid is een groot en zeldzaam goed.