elk zijn dus

We lezen geen schilderijen meer maar ook geen situaties. We doen gedurende een week, tien dagen ervaringen op (experience) en stellen dit gelijk met kennisverwerving. We dompelen ons onder, we ondergaan. De distantie lijkt te verdwijnen. Dit weerspiegelt zich in de leeshouding. Lezen kan een wetenschappelijke houding zijn: het bestuderen van iets wat (relatief) buiten ons staat. Gevoelens maar ook standpunten. Volgens Martha Nussbaum kan het lezen (van degelijke literatuur) bijdragen aan de ontwikkeling van empathie. Meegezogen worden in een verhaal staat echter los van het objectiverende en objectieve lezen. Als lezer kun je een buitenstaander zijn die de beschreven wereld als een object ziet. Het lezen is daarom een individualistische zaak: elk hoofd is een boek. In ‘amusementsmuziek’ is er een gelijkaardige onderdompeling: het lawaai en het ritme versmoren het individuele, het afstandelijke. Is dat een reden waarom de muziek elke generatie luider wordt? Bach staat tegenover Lou Reed –en toch hebben beiden in een bepaalde context hun waarde.
We leven in een tweegedeelde wereld. Er is kennis en wetenschap nodig om het economisch systeem te doen draaien maar als consument/klant moeten we die wetenschappelijke houding laten varen om te kunnen consumeren. De overheid organiseert evenementen om een massa-gevoel te creëren. Een zelfgenoegzaamheid tonen. Het standpunt van de buitenstaander is daardoor verdacht. Het lezen van een bepaald soort literatuur wordt naar een marge gedreven en zal dan naar een underground moeten uitwijken. Ook het boek –en het bibliotheekwezen- is opgenomen in de wereld van het consumeren en heeft dardoor zijn kritische weerbaarheid verloren. Het boek is een product, de bibliotheek een winkel.
Comments [0]
Omdat de cultuur veranderd is, is ook het idee boek gewijzigd. Het toonaangevende boek (kunstboek, interieurboek, bedrijfspropaganda) is niet meer het tekstboek maar dat met plaatjes: full page en de letters duiden slagzinnen aan. Ook hier is het boek een ervaring geworden (geënt op de sensatiepers): het lezen van a tot z, van begin tot einde is niet meer noodzakelijk. Net zoals water geen begin of einde heeft, net zo zijn de ervaringen: je springt er midden in. Dit betekent ook dat er op een andere manier gedacht wordt. De cultuur wordt niet meer opgebouwd buiten de ervaring (aan de rand van het zwembad) maar wordt vervangen door het temidden zijn (het water rondom). Dit betekent dat kennis en cultuur geen afstand meer nemen. (Poëzie is dus ook een podiumgebeuren geworden –weg van het boek en is daardoor van status veranderd.) Het zwemmen is aanbidding, het opgenomen worden in de extase. Men zoekt meditatie, religieuze gevoelens, het benaderende. Als de cultuur geëvolueerd is van een individueel gebeuren naar een massa-gebeuren, dan is ook het gebruik van het boek veranderd. Het boek heeft niet meer de functie dat het had in een humanistische maatschappij: het was daar een instrument om een individu kritisch te laten nadenken over wat er met hemzelf en met de maatschappij gebeurde. Nu is het boek opgenomen in een conformistische cultuur: iedereen wil hetzelfde lezen en leest ook hetzelfde.
Enerzijds heeft men een extreem subjectief bewustzijn van zichzelf, anderzijds is men trots op een conformistisch sociaal gedrag. In de massa is men van zichzelf overtuigd een uitzonderlijk individu te zijn.
Comments [0]
Lezen is een ander woord voor bidden. (Zingen is tweemaal bidden.) Gregorius de Grote zei dat beelden de boeken voor de leken zijn. In de catalogus ‘Van Quinten Metsijs tot Peter Paul Rubens: meesterwerken uit het Koninklijk Museum terug in de kathedraal’ schrijft Marcel Gielis een hoofdstuk over de betekenissen van de tentoongestelde werken. Net zoals ook in andere hoofdstukken gezegd werd, weten we een aantal zaken niet meer. Niet alle afgebeelde figuren kennen we nog. Soms weten we niet meer welke heilige er afgebeeld werd. Wat de attributen betekenden, wat het kader bedoelde, wat de compositie betreft: vraagtekens.
Sommige schilderijen kunnen op verschillende niveaus gelezen worden –daarvoor moet men op de hoogte zijn van de bijbelse en de eigen geschiedenis en van de theologische stand van zaken. Zijn deze beelden dan de boeken van de ongeletterden?
De beeldende cultuur die nu in musea hangt, waar wij nu met open mond naar staren was een intellectuele, literaire, elitaire kunst. Daarnaast was er een beeldende kunst van prenten, beelden en schilderijen die in de volkscultuur verankerd waren. Christus toont zijn bloedend hart, Antonius met een varken, Maria met het kind. Deze beelden waren eenduidig, simpel en direct aansprekend.
Als er over ontlezing gesproken wordt, wordt er steevast verwezen naar het internet (twintig jaar geleden was dat de televisie). Maar tussen televisie/internet en het minder prominent aanwezig zijn in de maatschappij van literaire cultuur en kennis, zou de oorzakelijke relatie wel eens minder kunnen zijn, dan wat ‘men’ denkt. En indien dit zo is, dan is het e-book helemaal geen redding van de literatuur. Ontlezing is meer dan het minder lezen van boeken en de statusvermindering van boek, literatuur, schrijver en kennis. De ontlezing is een intern, modernistisch mechanisme.
Een schilderij van Quinten Metsijs moet inderdaad (en letterlijk) gelezen worden. De kijker wordt gedwongen een bepaalde weg af te leggen. Als het schilderij gelezen is (wat zien we, wat is de interactie, wanneer is dit gebeurd en waarom staan de figuren in deze interactie met elkaar?), kan er geïnterpreteerd worden. De bedoeling van de schilder en/of de opdrachtgever kan achterhaald worden door kennis te nemen van het intellectuele kader waarin gewerkt werd. Deze schilderijen zijn daarom literair –ook al is de literatuur in deze periode van mindere kwaliteit.
Hedendaagse beeldende kunst moet niet meer gelezen worden: er is één beeld en daar kan een theorie rond gebouwd worden maar het beeld is op zichzelf eenduidig. Deze eenduidigheid betekent nog niet dat het afgebeelde simpel of minderwaardig is maar het toont wel aan hoe de beeldende kunst niet langer literair is. Er moet namelijk niet meer gelezen worden, er moet gekeken worden en men wordt al dan niet ‘gepakt’ door het beeld.
Curatoren hebben soms veel te vertellen maar daar hebben ze niet altijd de tentoongestelde werken voor nodig.
Comments [0]
Het is een detail. ‘De Munt’ in Brussel brengt de opera ‘Semele’ van Händel. Op de website staat: “Met haar formele rijkdom en dramatische complexiteit werd Semele in de loop van de 20ste eeuw een van Handels meest opgevoerde composities. Het werk wordt in de Munt gedirigeerd door Christophe Rousset, aan het hoofd van zijn orkest Les Talens Lyriques. De Chinese kunstenaar Zhang Huan brengt voor zijn operadebuut een onuitgegeven scenische interpretatie van deze Grieks-Romeinse mythe door het westerse en oosterse gedachtegoed met elkaar te verbinden.”
‘De onuitgegeven scenische interpretatie’ gaat als volgt in zijn werk. In China staat een 450 jaar oude Ming-tempel. Die wordt afgebroken en opgebouwd op de scène van De Munt. Na de voorstellingen in september wordt de 450 jaar oude Ming-tempel afgebroken en terug naar China gebracht. Daar zal de productie nogmaals opgevoerd worden. Dit wordt betaald door een privé-sponsor, Linda Wong. Zij wil culturele creatie stimuleren. Ze zegt: ‘Natuurlijk leek het idee van die tempel me eerst over the top. Tot ik hem in Sjanghai zag staan en begreep dat hij echt nodig was voor de productie. Een namaakversie zou niet hetzelfde zijn geweest. Als je erin staat, ruik je aan het hout de geschiedenis.’ (De Standaard, 28.08.09)
Opera is zowat de meest kunstmatige kunstvorm die nog mogelijk is. Dit te verbinden met authenticiteit is lichtelijk belachelijk. Dat men het hout ruikt als men in de tempel staat, zal de toeschouwer weinig kunnen bekoren en de zangers eerder een last dan een genoegen zijn. Men kan zeggen: elk doet met zijn geld wat men wil, maar dat een culturele instelling deze idiotie aanvaardt, zegt veel over de status van de cultuur in het Westen.
Comments [0]
In de negentiende eeuw schreef Johannes van Vloten dat Spinoza ‘de Nederlandsche Jood [is die] ’t gloeyend Oosten en ’t lauwe Westen’ in zich verenigde. Dit zijn achterhaalde, bombastische woorden. Toch moeten ze ooit betekenis gehad hebben en moet het standpunt over Spinoza daardoor klaar en helder geformuleerd overgekomen zijn. Hoe omslachtig een taal in een bepaalde periode ook mag zijn, de lezers zullen begrepen hebben waarover het ging. Vandaag de dag zouden we in bovenstaande woorden een racistische ondertoon horen. Dat iemands denken bepaald is door het Westen of het Oosten is waarschijnlijk maar dat er zoiets zou bestaan als hét Westen en hét Oosten is dan weer een andere zaak. Vooral omdat het hier niet gaat om inhoudelijke gegevens maar om morele en gevoelsmatige kwalificaties. Toch heeft ook een filosoof als Schopenhauer veel belang gehecht aan de plaats waar het denken plaatsvond. En ook vandaag nog: als we spreken van de cartesiaanse Franse geest dan weten we waarover het gaat en we weten welke schrijvers, filosofen daarvan uitgesloten zijn.
Als de woorden van Van Vloten vandaag geschreven zouden zijn, dan zouden we dat een lui en achterhaald denken vinden.
Bob Wallagh besloot zijn boekje over Brigitte Bardot in 1961 aldus: ‘Schillers woord over de simpele werkman: ‘…der nie bedenkt was er vollbringt’ is bepaald niet van toepassing op deze hard werkende jonge vrouw, die op de Helicon der tiende muze de trefzekere troefkaart van Frankrijk is geworden. En met haar ware wezen en aard, die zich –zonder camera’s en regisseur, in haar particuliere omgeving ontplooien-, om van haar ‘chronique intime’ maar te zwijgen, heeft, dacht ik, ten slotte maar één mens iets te maken: BRIGITTE BARDOT.’
Ook dit is een schrijven dat bombastisch is maar ooit moet iemand hierin geloofd hebben, moet men gedacht hebben dat dit de manier van schrijven en denken is.
In DSL van 28 augustus schrijft wetenschapsjournalist Geerdt Magiels: ‘De natuur heeft in ons lijf een systeem ingebouwd waarmee we …’ Deze taal is smechts schijnbaar zakelijker want de natuur wordt als een persoon opgevoerd. De natuur heeft geen bedoeling (gehad). Het is gebeurd. Hoe wordt dit vandaag gelezen? Darwiniaans of niet?
Comments [0]

Bij ASP uitgevers is het boek ‘Spinoza, filosoof van de blijheid’ verschenen. Het boek is door ‘Stipontwerpt’ vormgegeven alsof het een roman is. De letters van de voetnoten zijn zo slecht gezet dat je de punten van de letters ziet. (Er verschijnen veel boeken omdat universitairen nu eenmaal moeten publiceren.) Herman De Dijn echter doet zijn reputatie van Spinoza-kenner alle eer aan. Hij schetst de centrale rol van de blijheid in de ethiek van Spinoza. De wijze is niet onberoerd. Hij staat niet buiten de natuur of de maatschappij maar hij leeft in harmonie met de dingen om hem heen, met de wisselvalligheden van het leven. Bij Spinoza hebben we een merkwaardige mengeling van passiviteit en activiteit. De wijze kijkt van op afstand toe en tegelijkertijd handelt hij in de wereld. Ook Marin Terpstra heeft een verhelderend essay over een mogelijke spinozistische politiek geschreven. Het begrijpen vergroot de blijdschap (kennis is vreugde) en de blijdschap is natuurlijk ook weer een stimulans tot denken. Terpstra: ‘[…] mensen die zich in de omgang fatsoenlijk gedragen, brengen vreugde en dit leidt tot grotere betrokkenheid op de samenleving. Gaat het fatsoen achteruit, dan nemen de ergernissen toe.’
Ergernis geeft de samensteller van deze bundel, Tinneke Beeckman. Ze heeft boeddhistische meditatie gevolgd (een cursus van tien (10) dagen) en ziet nu het schemerlicht. Haar eerste alinea: ‘Hierover wil ik …fascineert me … heb ik … Oorspronkelijk had ik … Maar toen ik …, begon ik... Ik betoog …’.
Beeckman verbindt Spinoza met haar tiendaagse ervaring. Het boeddhisme en het denken van Spinoza staan mijlenver van elkaar –niet alleen in tijd en plaats. Het denken van Spinoza is een contextueel denken –hoe kan iemand dan zulke onzin uitkramen? Dat kan wanneer men abstractie maakt van alle mogelijke verschillen. Zo schrijft Beeckman: ‘Volgens het boeddhisme neem je ook ‘samskara’s’ mee uit je vorige levens. Dit aspect laat ik buiten beschouwing om me op de praktijk te concentreren.’ Wie over Spinoza wil schrijven, moet Spinoza lezen en beseft dan dat denken belangrijk is.
Comments [0]
Menselijke samenlevingsvormen veranderen. Cultuurcentrum ‘De werf’ in Aalst organiseert ‘Filosoferen met kleinkinderen: een cursus voor (toekomstige) grootouders’. Natuurlijk is het verrassend te zien dat er een cursus voor grootouders georganiseerd wordt maar nog verrassender is dat het kind gedefinieerd wordt in relatie met de doelgroep. Kinderen zijn kind en kleinkind en voor de zorgers moet er telkens een andere cursus bedacht worden. Het zijn de ouderen die zichzelf een zin zoeken te geven.
Comments [0]
Hoe een waarde-oordeel opbouwen? Natuurlijk moet je het goede, het betere, het uitmuntende van het slechte, het mindere, het romantische kunnen onderscheiden. Om een goed gedicht te kunnen zien, moet je ook het slechte lezen. Soms onthult een slecht geconstrueerd gedicht waarom een goed gedicht toch niet zo goed is. Of toont een slecht gedicht waar de basis van het goede gedicht vandaan komt. Er is een overeenkomst tussen alle kunst: het is de kunstenaar die al dan niet werkt.
In het begijnhof van Dendermonde staat midden het grasveld een neogotisch beeld met een neogotische sokkel. En die doet er ons aan herinneren dat een sokkel een toren is. De toren is het symbool van kuisheid (Barbara) en bijna altijd van verhevenheid, het reiken naar het hemelse. In de Westerse kunst is het beeld van zijn sokkel gehaald en worden beeld en sokkel geproblematiseerd. Een standbeeld oprichten –voor een schrijver, een politicus, een huismoeder- is daarom ouderwets, banaal en ja, achterlijk –want het beeld is niet meer in de tijd geplaatst. Het is reactionair: het appelleert aan gevoelens die er niet meer toe doen, die er niet meer zijn maar kunstmatig worden opgeroepen. Het is liegen en manipuleren.
Comments [0]
Comments [1]