sfcdt’s posterous

 

radical chic

In ‘Kunstzeitung 157’ (september 2009) een ongemeen kritisch stuk over Pistoletto. Tijdens de Biënnale van Venetië sloeg de kunstenaar een aantal spiegels kapot. De brokstukken werden nadien op Art Basel verkocht. 140.000 euro.

Johanna Di Blasi verwijt Michelangelo Pistoletto pseudoradicaliteit, ze vindt zijn ‘act’ een karikatuur en zegt dat de antihouding nu de geriatrische fase is binnengetreden. De avant-garde koketteert met geweld en terreur maar die is betekenisloos geworden. Kritiek is een consumptie-artikel. ‘Wohl nicht zufällig sind es die Kinder der 68er, die mit muskulösen Protestattributen und deren evidenter Hohlheit heute ironisch und nostalgisch spielen.’ Jonge kunstenaars doen nu aan kritiek door de leegheid van de oude kritiek te tonen.

Bij het artikel is een foto van Pistoletto met zomerhoed en hamer geplaatst, op de achtergrond publiek en persfotografen. Ook radicaliteit heeft publiek nodig omdat ze zonder spektakel niet bestaat. Doordat het resultaat van deze gewelddadige actie ook te koop wordt aangeboden, verliest de handeling elke betekenis. Ze wordt in het systeem opgenomen en daardoor onschadelijk gemaakt. Dit is wat Guy Debord geanalyseerd heeft: zelfs de tegenstem is onderdeel van het systeem. Meer nog: het systeem bestaat daardoor en bestendigt op deze manier zichzelf. De tegenstemmen hebben geen betekenis, ze vormen de mobiliteit. Discussie, communicatie zijn daardoor de sjablonen van deze maatschappij geworden. Ze geven spektakel, op het einde van de discussie gaat iedereen slapen. Morgen een ander verzet. Hoe radicaler, hoe liever het systeem het heeft. Commotie. Het publiek wordt geamuseerd.

Op het einde van vorige en in het begin van deze eeuw was er sprake van dat Pistoletto een groot project in Gent zou realiseren. Er werd daarvoor 1,6 miljoen euro aan de Vlaamse Gemeenschap gevraagd.

Dit jaar heeft Pistoletto als maatschappelijk betrokken kunstenaar een brief geschreven aan de Vlaamse regering: het dorp Doel mag niet verdwijnen. Is de vernietiging van pronkspiegels in een paleis gelijk aan de vernietiging van een dorp door de macht? Het woord vernietiging is in beide zinnen niet gelijk en mag niet op zichzelf genomen worden. Doel wordt onteigend om tegemoet te komen aan de economische macht; de spiegels worden vernietigd om het economisch kunstsysteem te doen draaien.

Wie het zwaard verheft, zal door het zwaard vergaan.

Comments [0]

het bedrog op de foor

De bibliotheek is uiteraard een instelling van en voor wijsheid, kennis en cultuur. Dus ook wetenschap. Een bibliotheek is een instelling die een maat aangeeft: dit is belangrijk en dus nemen we dit in onze collectie op en dat is onbelangrijk en zelfs regelrechte onzin en daarom kopen we dat niet aan. Een instituut heeft een doel. In het geval van de bibliotheek i dit het verspreiden van kennis, cultuur en menselijkheid. Ook de ontspanning en het plezier worden in een cultureel kenniskader geplaatst. Bibliothecarissen zijn dus verspreiders van wat waardevol is. Dit wordt gekoppeld aan een maatschappelijke taak: kennis die op een humane wijze gebruikt wordt, versterkt een democratie.

Bovenstaande zinnen gelden al een tijd niet meer. Bibliothecarissen –en men wordt uitsluitend daarop geselecteerd- zijn nu onzinverspreiders. En men is trots –op zichzelf. Niet de collecties of de handelingen zijn belangrijk maar wel de aandacht. Men wil in de pers komen, men wil dat er over hen geklapt wordt. Men heeft een probleem.

De bibliotheek van Maarkedal is maar één voorbeeld. Op 9 oktober is daar een verwendag en men kan een ‘workshop tenen lezen’ volgen. Op de website is te lezen: ‘Zoals je veel gegevens in je hand kan zien, zo kan je ook een waaier van informatie in je tenen “lezen”. Er bestaat een relatie tussen de stand en de vorm van je tenen en je karakter en gedrag. Innerlijke processen (bv een periode van stress) kunnen invloed hebben op het uizicht [sic] en de stand van je tenen : ze kunnen krommen, worden rood, er kan een knobbel op de voet groeien,… Tenen weerspiegelen je sterke en je zwakkere kanten. Hierdoor kun je inzicht krijgen in je geest en in je innerlijke gemoedstoestand, je dagelijkse ergernissen en frustraties, je relaties en je job …’

Dit heeft niets meer te maken met bibliotheekwerk. Wat men aanbiedt, is liegen en bedriegen. En dan zal men tellen en concluderen: er waren zoveel bezoekers, wat zijn wij toch intelligent. Volgend jaar: oren lezen.

Comments [0]

geworteld

Het merkwaardige aan het omslagontwerp van Edward Verbeke voor NRF/Gallimard is dat het universeel lijkt te zijn, dat al een eeuwigheid bestaat en nog een eeuwigheid zal bestaan. Toch is dit ontwerp geworteld in de eigen tijd. Je kunt een relatie leggen met de katholieke, neogotische boekontwerpen die de middeleeuwse miniatuurkunst wilden doen herleven (en daarbij soms uitbundige bladmarges ontwierp). Het ontwerp van Verbeke is ingehouden maar door de lijnen die de pagina markeren, is er wel degelijk een verband met de neogotische denkwereld. In heel wat boeken werden de tekstblokken in een kader geplaatst. ‘Uren met Ruskin’ Hollandia, Baarn, 1920) is hiervan een voorbeeld. Maar ook de moderne wereld werkte met kaders. Het constructivisme structureerde de teksten door het plaatsen van balken. De nieuwe zakelijkheid, het Bauhaus, Piet Zwart, … werkten allemaal graag met (al dan niet) zware balken. De art deco-letters hadden een geblokte horizontale uitstraling waardoor de combinatie met lijnen voor een dynamische werking kon zorgen. Maar ook minder uitgesproken (esthetisch) vooruitstrevenden werkten met kaders en een typografische omslag. Het tweede voorbeeld is ‘Handboek van den vrijdenker’ door F. Domela Nieuwenhuis (Commissie van uitgave F.D.N.-werken, Rotterdam, 1922). Titel en auteur vormen hier een dicht tekstblok. Dit werd gevat in een eerste kader met dubbele lijnen en dit nog eens in een enkel lijnkader. In tegenstelling tot het ontwerp van Verbeke is dit veel zwaarder en –o.a. ook door het gebruik van de goudkleur- veel ouder. (Merkwaardig is ook dat de typografische, constructivistische boekomslagen later ook gebruikt zullen worden voor ronduit rechts boekwerk –genre Cyriel Verschaeve. Slechts een zucht was nodig om van de neogotiek naar de moderne tijd over te stappen.)

Het ontwerp van Verbeke blijft geniaal.

   
Click here to download:
geworteld.zip (36 KB)

Comments [0]

edward verbeke

Voor veel dingen is België bekend, maar niet voor typografie. Toch is het een Belg die één van de spraakmakendste boekomslagen gemaakt heeft. In ‘Voices and visions’, het boek dat een introductie geeft op de Koopman-collectie van de Nederlandse Koninklijke Bibliotheek, wordt hij vermeld. ‘The first of Schlumberger’s books published by NRF in 1911 featured this design, and it was printed by the man who designed it: Edouard Verbeke (1881-1954) of The St. Catherine Press Ltd in Bruges. The printing business was later sold to Gallimard, but it maintained a certain independence.’ (p. 39). Het boek dat hier besproken wordt, is ‘Le camarade infidèle’ uit 1922. Met ‘this design’ bedoelt de auteur: titel en auteur gecentreerd op de pagina; auteur bovenaan in zwart gedrukt, de titel rood en onderaan de uitgeversgegevens. Dit alles gevat in een eerste kader met dubbele rode streep en dit in een tweede kader met enkelvoudige zwarte streep op geel-beige omslag. Dit ontwerp is tot vandaag nog geldig.

Het overzichtswerk van Ludo Simons, ‘Geschiedenis van de uitgeverij in Vlaanderen’, vermeldt de drukkerij/uitgeverij van Verbeke niet. Wel wordt de firma Verbeke-Loys even vermeld (p. 50) maar dan enkel als drukkerij (in 1918) van ‘De Belgische Standaard’.

Toch is Verbeke ook belangrijk geweest in de geschiedenis van de Vlaamse literatuur en bibliofilie. De volgende gegevens komen uit ‘Vlaamse bibliofiele uitgaven 1830-1980’. De Sinte Katharina’s Drukkerij heeft in 1920 ‘Vlaamsche volksvertelsels’ van Guido Gezelle gedrukt. Deze drukkerij heeft ook gewerkt voor ‘Het Roode Zeil’ uit Brussel en ‘De Sikkel’ uit Antwerpen. Verbeke heeft o.a. ‘Substrata’ van Karel Van de Woestijne gedrukt –een bundel waaraan het tijdschrift Revolver in 2006 een themanummer wijdde. In 1924 –toen Substrata verscheen- heette de pers ‘Sinte Catherina Pers’, ze was gevestigd in Tramstraat 35. (De Brugse drukker Walleyn heeft in 1937 van dezelfde auteur ‘De boer die sterft’ gedrukt –tot voor kort kon men nog sporen van deze drukker op de Langerei zien.)

In ‘Het innerlijk blauw’, een keuze uit de dagboeken van André Gide, wordt Verbeke genoemd. Op 19 december 1918 corrigeert Gide het klad van zijn memoires zodat hij zelf, naast de drukker Verbeke, ook nog een exemplaar van zijn manuscript bezit. In een eindnoot vermeldt samenstelster Mirjam de Veth dat Verbeke de drukker van NRF is. Op p. 48 wordt Verbeke nogmaals vermeld als drukker van ‘Corydon’.

Het is echter de onvolprezen Sjoerd van Faassen die ons de meeste informatie kan geven (‘Ik heb iets bijna schoons aanschouwd: over leven en werk van P.C. Boutens 1870-1943’ (Schrijversprentenboek 34)). Verbeke heeft tien uitgaven voor P.C. Boutens gedrukt. Van Faassen schrijft dat de drukkerij van Verbeke een rechtstreekse concurrent was van de Antwerpse drukkerij Buschmann. Hij vermeldt ook dat het waarschijnlijk André Ruyters, de Belgische schoonbroer van André Gide (het was de tijd der André’s), is geweest die Verbeke (die ook voor Engelse uitgeverijen drukte) geïntroduceerd heeft bij ‘La nouvelle revue française’ (NRF).

Helaas is het archiefmateriaal van deze drukkerij onvindbaar.

   
Click here to download:
edward_verbeke.zip (22 KB)

Comments [0]

voices and visions

De Koopman collectie in de Koninklijke Bibliotheek van Nederland is vermaard. Nu is er een boek verschenen ‘Voices and visions’ dat een aantal topstukken bespreekt. Ook de website van de KB toont werken. Deze collectie werd samengesteld door Louis Koopman, ter nagedachtenis van zijn jong gestorven vrouw Anny Antoine. De kern  bevat ‘livres de peintres’ uit de topperiode van de Franse kunst. Dit wil zeggen: boeken van Fernand Léger, Miró, Picasso, Matisse, Calder, Ernst, Sonia Delaunay, e.a.

Na de dood van Koopman werd en wordt de collectie verder uitgebouwd met hedendaags boekwerk. De kwaliteit gaat achteruit: het boek wordt meer en meer creatief papier en de beeldende kunstenaars zijn niet erg spraakmakend.

De ironie van de tijd is dat deze uitgave niet Nederlands of Frans is, maar uitsluitend Engels (Nederengels). Er wordt de meeste nadruk gelegd op het beeld, weinig gezegd over de schrijvers zelf. Er is nauwelijks aandacht voor de typografie van de boeken. De illustraties in het boek concentreren zich ook op de beelden zelf, slechts enkele foto’s geven een indruk van het boek zelf. Op de pagina’s 152-153 wordt ‘Le peintre et le modèle’ van Alain Jouffroy met prenten van Gérard Fromanger besproken. Twee prenten beslaan meer dan de helft van de beschikbare plaats. Het ‘boekmodel’ wordt verkleind weergegeven. De paginering van het boek staat in de zijkantlijn bovenaan. Een flauwiteit van de vormgever want dit is niet handig. Keer op keer gebeuren er ook fouten. Hier worden op bladzijde 111 de cijfers pardoes als een tache de beauté in een naaktfoto geplaatst.

Hoe kunnen boeken in een boek getoond worden? Alles is onvolmaakt –maar het onvolmaakte toont het vermoeden en ook de zekerheid van schoonheid. Het boek is een weerspiegeling van wat buiten het boek ligt, is daarom niet minderwaardig maar een andere realiteit, een toevoeging aan het werkelijke, aan dat wat al bestaat.

Comments [0]

herman melville (3)

Een van de mooiste leesmomenten in ‘Moby Dick’ is wanneer je beseft dat Herman Melville het verhaal dat hij vertellen wil, verschillende gedaanten geeft. Bijvoorbeeld. Er is een actie gaande en plots legt de schrijver dit alles stil om dat wat Achab denkt uitvoerig te kunnen weergeven. Op die momenten gebruikt hij het homerische principe waarbij de tijd wordt stilgezet en alle ruimte gegeven wordt aan de subjectiviteit van het personage. Daad en reflectie worden duidelijk van elkaar onderscheiden. Of Melville gebruikt een shakespeareaans principe en geeft niet alleen de uitgesproken woorden van het personage weer maar ook zijn bedoelingen. ‘—Ja, ja! Uw stilzwijgen, dát spreekt wel voor u. (Terzijde) Er is iets uit mijn opengesperde neusgaten gestoven., hij heeft het in zijn longen opgezogen. Starbuck is nu de mijne; hij kan me nu niet weerstreven, zonder muiterij.’ Of, hij schrijft in de roman een aantal hoofdstukken in toneelvorm waardoor hij de personages rechtstreeks en in hun eigen taal laat spreken. De manier waarop Melville dit doet, is tegengesteld aan de psychologische aanpak van hedendaagse schrijvers: de psychologie blijft veel meer aan de oppervlakte, is eenduidiger én positiever.

De taal die Melville gebruikt is die van de bijbel en de oude eposdichters. Ook daardoor toont hij aan hoe de geschiedenis één geheel is: de manier waarop daden en mensen worden beschreven is universeel. (‘… en de grote lijkwade van de zee golfde voort zoals hij vijfduizend jaar geleden reeds golfde.) Hij vergelijkt mensen met dieren en omgekeerd (‘de gekwelde zee’) en dit heeft als effect dat de wereld als een geheel getoond wordt. Dit is een natuurverbondenheid die niet opgelegd is –een politiek standpunt is- maar een natuurlijke houding is omdat de natuur (hier nog) een ‘natuurlijk’ gegeven is. Daardoor worden de daden ook vergroot: er wordt niet over doodgaan gesproken maar het gaat over ‘de muil des Doods’; Achab is niet gedreven maar hij zou de zon kunnen slaan. Er wordt gesproken over de onmetelijke stromen die een geweten lijken te hebben, het gaat over de wereldziel die in smart en wroeging gedompeld is. Onze tijd kan gemakkelijk dit soort gezwollen tijd belachelijk maken maar dit lukt niet binnen de structuur van dit schrijven zelf: daar is elk woord, elke gedachte een onderdeel van een geheel.

Enfin, Melville dus. Een klein warenonderzoek. In geen enkele Gentse boekhandel is een boek van Melville te vinden. Veel hoor je over de professionalisering van het boekenvak. Het gaat dan echter niet over een cultureel aanbod creëren maar over het veranderen van de lezer in een klant.

Comments [1]

herman melville (2)

Het boek geeft een staalkaart van verschillende genres. ‘Moby Dick’ is niet zozeer een avonturenboek maar veeleer een ‘zingevingsboek’. Het toont aan hoe de dagelijkse handelingen in de mensengeschiedenis worden opgenomen. Het is geschreven vanuit een protestantse visie: de handelingen van gewone mensen worden geheiligd –en dit is niet de katholieke (psychologische) visie die de mens wil vernederen en zijn handelingen als nietig beschouwt. Melville heroïseert het gewone leven van gewone mensen en hij zingt een loflied op de diversiteit. Wat hij doet is wat Denis Diderot gedaan heeft in de Encyclopédie. Daar beschreef men de beroepen van mensen in detail, de werktuigen die gebruikt werden, de handelingen die gesteld werden. Er werden prenten gemaakt om alles klaar en duidelijk te communiceren en om te leren hoe men op een goede manier kon werken. Dit was een revelatie. De Verlichting toonde aan hoe de rijkdom van een land tot stand kwam. Men toonde de waardigheid van gewone mensen door hun werk als eervol te beschouwen.

De handelingen die bij Melville beschreven worden, worden historisch geduid. Ze worden in een chronologie geplaatst en op die manier zin gegeven. Het is de algemene tijd die de individuele tijd als zinvol doet verschijnen. Zo deed men het vroeger, zo doet men het nu. En er werd toen nog verondersteld: zo zal het ook morgen gedaan worden. Het is juist deze derde component die in onze tijd verloren gegaan is. Vandaag zijn het de kinderen die de ouderen leren hoe ze moeten leven/functioneren. Het ‘no future’ van John Lydon is voor iedereen werkelijkheid geworden –ook jongeren worden immers ouder.

De materiële wereld is voor Melville een goede wereld. Enerzijds heb je het gebied waar er geld verdiend kan en mag worden, anderzijds is er de godsdienst. De tweede moet zich niet met de eerste bemoeien. Melville scheidt de twee werelden op een radicale manier. De mensenwereld is de evidente realiteit en dat wat is, moet gewaardeerd worden. Het domein van de mensen wordt verbonden met de natuur –niet op een sentimentele manier maar door de natuur te humaniseren. De witte walvis wordt menselijke hoedanigheden toegekend. De walvis is op wraak belust, heeft een geheugen, stelt aanvalsplannen op. De strijd is bijna te beschrijven als een gevecht tussen twee mannen: Achab tegen Moby Dick.

De wereld wordt hier nog als een geheel getoond. Daarvoor gebruikt Melville het ‘stapelingsprincipe’ –en hij doet dat op een retorische manier: ‘En al was de sombere kapitein […], en al was het enige huldebetoon […], al eiste hij van niemand […], en al waren er momenten […], toch verwaarloosde zelfs kapitein Achab […]. Op deze manier geeft hij de lezer een almachtig en universeel gevoel door: hier gaat het over het alles. Toch is hij soms ook –schijnbaar- bescheiden: ‘Dit hele boek is slechts een schets –nee, slechts de schets van een schets.’ Dit lijkt zeer hedendaags te zijn maar hij vervolgt met ‘O, Tijd, Kracht, Handgeld en Geduld!’ waardoor hij zijn eigen uitspraak het universum inschreeuwt én tegelijkertijd weer ironiseert door het woord handgeld tussen de hoofdletterwoorden te plaatsen.

Melville beschrijft de walvisjacht als een Oudgrieks epos. Er is het taalgebruik, er zijn de directe beelden (Starbuck aan de mast geklonken als Odysseus), er zijn de verwijzingen naar boeken. Maar vooral zijn er de literaire technieken. Het boek is een vat van mogelijkheden. Het ene hoofdstuk is een verhaal, het andere een leugen, een ander hoofdstuk is een beschrijving, dan heb je een encyclopedisch lemma, …

Comments [0]

herman melville (1)

‘Moby Dick’ is een magische titel. Hij roept daden op, avonturen, jongens, vriendschap, moed en kracht. Niets van dit alles is echter realiteit. ‘Moby Dick’ is een literair werk dat autonoom staat. Het boek is geworteld in de filosofie van de ‘founding fathers’: een ode aan het humanistisch individualisme. Melville beschrijft een walvisjacht. Je zou kunnen verwachten dat er ook een analyse zou zijn van die groep mannen die jarenlang met elkaar op een kleine oppervlakte moeten leven. Niets van. Melville toont een aantal individuen maar houdt zich nauwelijks bezig met groepsprocessen. Als hij toch de banden tussen mensen weergeeft, is dit om het individuele nog meer te benadrukken. Zelfs de vriendschap (of beter: de liefde) tussen de ik-figuur en Queequeg wordt niet psychologisch uitgediept. Melville beschrijft de dingen aan de oppervlakte en bereikt een grootsheid omdat hij een positief-overkoepelende visie op de mens heeft.

Een detail. Melville beschouwt het geld niet als een zonde of als het slijk der aarde, maar als een mogelijkheid om te leven én als datgene wat mensen terecht verdienen voor hun werk. Hij is geen naïeveling maar hij ziet de mens niet als fundamenteel slecht of hij zoekt niet achter elke daad een negatieve drijfkracht. Dit verhaal is geschreven toen een bepaalde soort psychologie het denken en de cultuur nog niet vergiftigd had.

Dat dit werk nog geënt is op een oude cultuur, komt tot uiting in de merkwaardige onderverdeling van de cetologie (de leer der walvissen) in verschillende boeken. De walvissen worden geplaatst in drie hoofdboeken (folio, octavo en duodecimo). Elk hoofdboek wordt verdeeld in hoofdstukken. Hier zien we hoe het begrip én het object boek een manier is om de wereld te ordenen, duidelijk te maken, te verklaren. In een voetnoot verklaart Melville waarom het quarto-formaat niet genoemd wordt en hij kon blijkbaar nog veronderstellen dat zijn lezer dit zal begrijpen (vandaag de dag is dit echter even onalledaags als de visserij- en scheepstermen die hij gebruikt). Hij schrijft: ‘Waarom dit boek over walvissen niet het Quarto genoemd wordt, is heel duidelijk. Want terwijl de walvissen van deze orde, ofschoon kleiner dan die van de vorige orde, niettemin een gelijkenis in gedaante behouden die evenredig is aan de eerste, behoudt het quarto-boek van de boekbinder in zijn verkleinde vorm toch niet de gedaante van het folio-boek, maar dat doet het octavo-boek wel.’ In het boek zijn er zelfs grapjes die enkel begrepen kunnen worden binnen een (ook) materiële boekcultuur. Dit schrijft Melville bijvoorbeeld over de hoorn van de narwal: ‘Mijn eigen mening is dat, hoe deze eenzijdige hoorn dan ook in werkelijkheid door de narwal gebruikt mag worden –en op welke manier dan ook – hij stellig heel gemakkelijk voor hem zou zijn als vouwbeen bij het lezen van brochures.’ (p. 178-179, uitgeverij Contact, vertaling van Emy Giphart)

(beeld, detail uit Jan Brueghel de oudere, Jonas ontsnapt aan de walvis)

Comments [0]

oud en vermoeid = jong en actief

Het ‘oude, vermoeide’ Europa schaamt zich soms voor het verleden. De aflaten –het kwantificeren van zonden- wordt nu gezien als een afkeurenswaardige praktijk. En dan de relikwieën. Men zou liever verzwijgen dat dit ooit mogelijk was, dat iemand daarin geloofde, dat er handel in gedreven werd. Nu wordt daar –uit gêne bijna- een antropologische uitleg aan gegeven. Krachtenvelden, armoede van de mensen, onwetendheid, steun in het geloof.

Maar het ‘nieuwe, daadkrachtige’ Amerika volgt ook daarin Europa. Chris van Doorslaer, CEO van Cartamundi vertelt: ‘Onze voornaamste activiteit in Dallas zijn sportverzamelkaarten, waar Amerikanen dol op zijn. Het zijn kaarten met een foto en een handtekening van een vedette waar nog een extraatje in verwerkt zit. Dat kan gaan van een stukje basketbalshirt tot de splinter van een baseballbat of tennisracket.’ Zou er dan toch geen vooruitgang mogelijk zijn?

Comments [0]

half

Dat iemand in een hotelkamer zou willen lezen! Een perfide gedachte. In een hotelkamer is er enkel gedempt licht wat onvoldoende is voor elke activiteit maar voor het hotel best interessant is want er wordt minder elektriciteit verbruikt. Een direct gevolg daarvan is echter dat elke hotelgast alle lichten laat branden –wat de onkosten voor het hotel doet verhogen. Er is niet alleen te weinig lichtsterkte, er is gewoon geen leeslamp voorzien. Kijk daarom door het raam of drink je lazarus.

Sommigen vinden dat dit goed gevonden is, anderen zullen de rationaliteit roemen. Toch is het vulgair lelijk en dom. Op de foto’s zie je hoe men de indruk geeft dat er lampenkappen aanwezig zijn maar het zijn halve: er is op materiaal bespaard. Ook geeft men de indruk (de eerste indruk is decisief) dat er een kleerkast is, maar ook dat is fout. Er zijn planken die als scheiding dienen en daarachter zijn minieme legplanken voorzien. ‘Handig’, zal een of andere manager geschreven hebben, ‘zo moet de klant geen kasten meer openen.’ We doen alsof.

     
Click here to download:
half.zip (58 KB)

Comments [0]