Het verhaal van ‘Jouw gezicht morgen’ is simpel. De hoofdpersoon, Jaime Deza, is een Spanjaard die in Oxford les gegeven heeft –het verslag van wat hij onderwees, is bijwijlen hilarisch- wordt gerekruteerd door een Engelse geheime dienst. Hij heeft de gave in de toekomst te kunnen kijken (Jouw gezicht morgen). Zijn inzichten zijn goud waard: ze laten zien wie te vertrouwen is, op wie men kan steunen. De paradox van deze trilogie is nu juist dat Marías ons toont hoe weinig we het leven in eigen handen kunnen nemen. Laat staan dat van anderen. De trilogie is een groot ‘memento mori’ want ook de dood is in het gezicht te lezen. “Hij stierf zoals iedereen met zand in zijn ogen, zonder ooit voldoende te weten, en juist dat brengt ons ertoe hen allemaal te beklagen en te beschouwen als arme mannen en arme vrouwen, arme volwassen kinderen, arme duivels.”
Er zijn –net zoals in zijn andere romans- voortdurend verwijzingen naar Shakespeare. Marías weet nog wat een norm is.
Dichtheid, intensiteit zijn kenmerken van Marías’ stijl. Hij schrijft met plezier stapelzinnen waarin een kat haar jongen niet zou terugvinden. De hoofdperson zegt over zijn baas (het is Marías over zichzelf): “[…] dat hij van een hoofdzaak overging op een bijzaak en van de bijzaak op een tussenzin en van de tussenzin op een terzijde, en dat hij, […], nooit terugkeerde van zijn eindeloze zijpaden, […]”.
Hij verzint mogelijke situaties, hij spint die uit en lardeert ze met anekdotes om te kunnen concluderen (bijvoorbeeld): ‘ja, zo zou het kunnen’ of ‘nee, zo zal het niet zijn’. De lezer wordt daardoor de hele tijd op het verkeerde been gezet en moet naar adem happen/bij de pinken blijven. Marías is zich bewust van alle mogelijkheden en door die op te sommen creëert hij een warnet. Hij zet schijnbaar causale verbanden op waarvan het resultaat duisternis is. Wat is waar, wat is verzonnen, wat is mogelijk en onmogelijk? Hij zoekt verbanden, lijnen, duidelijkheid en wat hij in handen houdt is slechts een prop watten.
Het is vandaag de dag zeldzaam geworden dat een romanschrijver zoveel vergt van een lezer. Niet alleen de omvang van deze trilogie gaat in tegen de tijd maar ook het leesproces doet dat. Het is daarom niet te verwonderen dat er nauwelijks iets (niet-Spaanstalig) te vinden is over dit werk. Iemand zou zich een maand met dit werk kunnen bezighouden om dan met zeer veel voldoening een artikel te publiceren.
Een belangrijk schrijver componeert niet alleen zijn werk maar hij zorgt er ook voor dat er zinnen zijn die beklijven, dat het werk ideeën heeft en daarom een morele betekenis krijgt. Marías ontpopt zich meer en meer als een knorpot die de tijd hekelt. Hij spreekt over de dictatuur van de niet-rokers (een groot schrijver mag 1 zwakheid hebben), over de oppervlakkigheid en de regelrechte domheid van de tijdgenoten. Hij klaagt over het lawaai en het prietpraten. Hij beschrijft de teloorgang van een cultuur.
Hij is een scherp observator. “Al heel lang had ik niemand dat gebaar [twee handen die in de lucht een vrouw tekenen door de welvingen uit te beelden) zien maken, ook gebaren raken in onbruik, net als woorden, […].”
Javier Marías stelt zich elitair op (“deze ongeletterde tijd”). Hij kijkt neer op domheid, op pretentie, waan en eigendunk. Hij ziet de gedachtelozen rondom hem. “De meeste mensen ontkennen het bestaan van toeval, ze verfoeien het, de meeste mensen zijn dom. […] Het gepeupel wil overal een verklaring voor hebben.” “Pas op latere leeftijd verlaten ze [de meeste mensen] die kleuterschool. En zoals u zojuist hebt gezegd: als ze die al verlaten.” “De mensen geloven wat ze willen geloven, en daarom is het zo logisch en gemakkelijk dat alles zijn tijd heeft om geloofd te worden.”
Hij spreekt over het gif van de beeldcultuur, de sentimentaliteit. Hoe de mens veranderd is: “[…] leeftijd fungeert niet meer als rem voor wat dan ook, die heeft alle gevechten tegen de mode en de ijdelheid verloren). Het maakte dat hij er pooierachtig uitzag, […]”
Omdat hij het heeft over verbanden tussen mensen en dingen, tussen ideeën en handelingen, tussen vermoedens en waarheid, spreekt hij ook over relaties –niet alleen over liefde. Het vraagstuk van de oude relaties, hoe die te integreren in het verdere leven en waarom die niet kunnen heropgenomen worden.
Het laatste deel van het derde deel ‘Afscheid’ gaat over de taal. Hoe de woorden onduidelijk kunnen zijn, hoe ze overdrachtelijk zijn maar dat de daad die er uit volgt, eenduidig moet zijn. Marías toont aan hoe taal en kennis met elkaar verbonden zijn en hoe de taalverloedering de dwaasheid ontketent. Zijn boek is niet alleen analyse maar ook woede. Woede omdat mensen (en schrijvers) zichzelf vernederen, woede omdat in deze tijd het leven van een mens onmenselijk geworden is. “Onze tijden zijn nietszeggend, aanstellerig, echt hypocriet geworden. Niemand wil iets zien van wat er te zien is, men durft niet eens te kijken en nog minder een gok te wagen, risico te lopen, voorzorgen te nemen, te voorzien, te oordelen, en helemaal niet voortijdig te oordelen: dat is een geweldige belediging. […] Niemand wil weten […] een morele angst.”
En iedereen die –zoals iedereen- een idioot boven zich heeft staan, kan deze zin beamen: “Onze wereld is slecht geordend en onrechtvaardig en corrupt, aangezien ze toestaat dat er mensen onder zo’n grote eikel staan.”
Comments [0]