sfcdt’s posterous

 

schurken

Wim Delvoye heeft zich in de hedendaagse economie ingeschreven. De schrijvers zitten nog in een vorig stadium en liëren zich met de politiek. Dit alles natuurlijk onder leiding van opper c. Jozef Deleu (http://www.vlaamsparlement.be/vp/festivalvandepolitiek/poeten.html). Het Vlaams parlement wil zichzelf vieren en denkt daarmee te bestaan. O.a. zijn er dichters die zich tegen de macht aan schurken. Wat wil men daarmee bereiken? Dat ‘Het liegend konijn’ –een idee dat Deleu van Karel Jonckheere gestolen heeft- gratis verspreid wordt? Zo is het gemakkelijk een tijdschrift uit te geven. Dit tijdschrift, het voorbeeld van overbodigheid, is ook alweer typisch Vlaams: geen enkele reflectie, geen enkele gedachte. Alleen zichzelf etaleren en de hand ophouden.

Comments [0]

in de tijd

Een tijdschrift als ‘Code magazine’ wordt op 5.000 exemplaren verspreid en is gratis. In het edito van het zevende nummer staat in het Nederlands, het Frans en het Engels wat ze willen: ‘Wij willen de liefde voor het gevaar, voor de gewoonte, voor de energie en voor de stoutmoedigheid uitzingen.’. Wat een combinatie. In het Frans is dit: ‘Nous voulons chanter l’amour du danger, l’habitude de l’énergie et de la témérité.’ Dit is al iets anders. En het zijn de woorden van de futurist Marinetti. Uit de rest van het warrige edito maken we op dat de redactie zich afvraagt of het begrip avant-garde nog gebruikt kan worden en of men nog in de revolutie geloven kan. Het tijdschrift zelf is een aaneenschakeling van nogal lichte artikelen, gecombineerd met foto’s en publiciteit van en voor culturele evenementen. (Steeds weer: de gesubsidieerde culturele sector adverteert met subsidiegeld in andere gesubsidieerde bladen. De cirkel blijft wel zeer gesloten.) Aan o.a. Wim Delvoye worden vier vragen gesteld. Hoe hij de toekomst ziet: voor hem ligt de toekomst in de manier waarop kunst gemaakt wordt, dus in de kunstenaarspraktijk. Hij neemt zichzelf als voorbeeld: de ‘toekomstige’ kunstenaar handelt als een bedrijf. Om zichzelf te duiden, verwijst hij naar Rubens. Hij werkte evenzeer met assistenten. Rubens is natuurlijk een cliché. Er zijn nogal wat kunstenaars die met assistenten werkten, ook kunstenaars die een zogezegde eigen toets hebben. Een beeldhouwer als George Minne heeft zelf nooit een beeld gekapt en ook Rodin was een boetseerder. Wat Delvoye wil bereiken is een emancipatie van de kunstenaar. Hij gebruikt een woord, dat een humanistische betekenis had, echter in een economische context. Hij bedoelt dat een kunstenaar zijn palet moet verbreden: Jan Fabre heeft een danscompagnie, had een tijdschrift. Damien Hirst heeft een aantal restaurants, een eigen persverantwoordelijke, enz. En hij ziet dit uiteraard als positief: ‘The artist is claiming the power.’ Waar vroeger kunstcritici, galeries en curatoren de plak zwaaiden, is het nu de kunstenaar die zijn zaak in de hand neemt (Damien Hirst verkoopt zijn werken nu via een veilinghuis, niet via een galerie.). ‘The market is more pluralist and thus closer to a democratic system.’ Ook hier gebruikt Delvoye een humanistische term (democratie) die niet toepasbaar is op het marktmechanisme. Op de tweede vraag of we het woord avant-garde nog kunnen gebruiken, repliceert Delvoye met: ‘In Flemish (sic), there’s another word ‘zweeppartij’ …’ en het is dit woord dat hij gebruiken wil: een kleine groep met goede ideeën die de grote partijen vooruit kunnen drijven. Op de vraag of nieuwe kunstenaars de toekomst uitdagen, antwoordt hij dat ze zelfs hem niet uitdagen en zijn kritiek op de jongeren is … zijn eigen praktijk: ‘It seems like everybody wants to be a part of the same art market.’ Zichzelf echter vindt hij wel een wissel op de toekomst, niet alleen door zijn werkwijze maar ook door de nieuwe inhoud en technologie die hij ontwikkelt. En dan komt hij op een kenmerk van deze tijd: wij willen niet zijn wat we zijn. ‘We make every attempt not to appear like artists. (…) What really takes a lot of effort is to succeed in anything else but art. Our language, for instance, is appropriated from business magazines, management magazines: that may shock people. (…) We hope to be as good as Microsoft, not so good as Picasso.’ De vierde vraag is of we nog steeds in revolutie kunnen geloven. Daarop antwoordt Delvoye dat hij oude boeken (zoals de ‘Encyclopédie’ van Diderot en D’Alembert) en tijdschriften verzamelt. Maar wat dit met de vraag te maken heeft?

Wim Delvoye behoort tot die kunstenaars die een werkelijk nieuwe houding hebben. Ze leven voor honderd procent in de eigen tijd, er is bij hen geen oppositie meer. Wat ze willen, is wegen vinden om binnen de economische marktmechanismen hun eigen mogelijkheden optimaal te benutten. Hij versterkt daarmee de maatschappij. Door zijn eigen werkwijze, zijn eigen vormen toe te voegen, bevestigt hij wat is. En dus zijn alle vragen die vanuit de kunstwereld komen, hem ongeschikt.

Comments [0]

ze dwalen

Zij die beweren dat Belgen hun intellectuelen niet eren, dwalen. Op de jaarmarkt van Anderlecht danste Erasmus lustig mee. In zijn hand ‘De lof der dwaasheid’. Als een gesloten spiegel.

 

Comments [0]

biënnale

Het Roger Raveel-museum en het Museum Dhondt-Dhaenens hebben hun zalen opengesteld voor schilderijen. Wat de bedoeling is van de ‘Eerste biënnale van de schilderkunst’ is mij niet duidelijk geworden. De promo-tekst zegt: ‘Het is de bedoeling schilderkunst te zien, te ruiken en te voelen.’ Onnozele woorden. Of ook nog: ‘Deze kunstenaars zijn geen pottenbrekers maar wel rasechte vernieuwers van de schilderkunst.’ Natuurlijk zijn er prachtige zaken te zien. Het handelsmerk van het Raveel-museum is hun schier onuitputtelijke kring van relaties. Op die manier kun je heel wat zaken ontdekken die in privé-collecties zitten en anders nooit boven komen. Zoals nu: een prachtige Philip Guston en enkele goede Picabia’s. Helaas lijkt het er op dat het Raveel-museum overgenomen is door een Antwerpse kliek. Bervoets is een pittoresk figuur maar dat maakt hem nog geen groot schilder. En Koen van den Broek is een man die de wegen kent, maar daarom nog niet het nieuwe licht van de schilderkunst belichaamt. Hetzelfde kan gezegd worden van Wilmhelm Sasnal en Laura Owens. De directeurs hebben geen visie op de schilderkunst van deze tijd ontwikkeld. Er is geen standpunt, er is nauwelijks een doordachte ophanging van de werken. De catalogus is beschamend slordig gemaakt. Maar zoals gezegd: de individuele kwaliteit van een aantal schilders heeft geen museum of conservator nodig: René Daniëls, Jean Brusselmans, Asger Jorn, Constant Permeke.

Comments [0]

vogels

Het was stil, al te stil, in het Roger Raveel-museum. Het schilderij met de vogels was er niet.

Comments [0]

net niet

Altijd een plezier een film van Peter Greenaway te zien. Het overbewustzijn van de vorm, het nadrukkelijk tonen dat dit een film is, het spel met de vierde wand. Toch valt op hoe de vorm het van het verhaal overneemt. Zo ook weer met zijn laatste film over Rembrandt. Naast een aantal slordigheden binnen de vorm, is het verhaal nogal overtrokken en ongeloofwaardig: te weinig elementen vormen samen het nieuwe inzicht. Hetzelfde was er bij de film ‘The cook, the thief, his wife and her lover’. De climax: het eten van de minnaar door de bandiet is lamentabel sentimenteel. Als het karakter au sérieux genomen was, dan had de dief met smaak en vreugde de penis van de minnaar opgegeten. En dat hij dan door zijn vrouw doodgeschoten wordt, is wel helemaal over de top. Zo eindigt een visueel fascinerend en een doorgedreven karaktertekening in een katholiek zeemzoet verhaal. Dit is het verschil tussen kunst en net niet. De Grieken waren verre van sentimenteel en de dood was geen haastig gebreid eindje maar maakte deel uit van het leven zelf. Zij gebruikten de dood niet als een ideologische zedenles.

Comments [0]

het ongelijk van kafka (1)

Nee, het probleem is niet dat de overheid de privésfeer binnendringt en het individu vermorzelt in de zinloosheid. Het probleem is dat de privésfeer de publieke ruimte haar wetten oplegt. De burgerlijkheid is niet zozeer naar binnen gekeerd maar heeft regels opgesteld om de omgang, het verkeer te regelen op een rationele, communicatieve en dus sociale manier.

In de trein –welk land doet er niet toe, welk traject is eender:

          X is aan het telefoneren/roepen

          Een trainingspak met mp3-speler, luid genoeg voor vier medehoorders.

          Een koppel trainingspakken –ongeveer 40 jaar- met een radio tussen zich. De radio staat luid.

          15 minuten later. Een ander koppel –ongeveer 30 jaar- zet hun muziek aan. Luid.

Iedereen is apathisch en niemand reageert. Angst voor het geweld, uiteraard, maar ook: hoe te reageren op wat niet-rationeel is? Hiervoor zijn geen sociale regels: een correctie/een gesprek kan maar gebeuren als er een gelijke basis is. En de reactie is ook voorspelbaar: ‘Ik doe toch wat ik wil, ik moei me toch ook niet met jou?’. Wat is Habermas een naïeve idealist.

 

Comments [0]

post en neo

Charles Vandenhove is een Luikse architect met renommee. In Liège heeft hij een aantal grote projecten gerealiseerd. Op dit moment loopt in het Bonnefantenmuseum van Maastricht een kleine tentoonstelling met foto’s van zijn huizen en een selectie uit zijn kunstcollectie, prachtige schilderijen van Hantaï. Deze zijn een herhaling van kleurrijke motieven, een resultaat dat verkregen wordt door het plooien van het doek. Het eindresultaat wordt niet opgespannen: het schilderij blijft een doek en daardoor wordt de breekbaarheid van de kleuren benadrukt. Ook al verzette hij zich tegen de groep Buren, Toroni door het sensitieve te verkiezen boven het conceptuele, toch zijn hun werken aan elkaar verwant. Vandenhove heeft in Liège (Hors-Chateau) een woningencomplex gebouwd. Het werd in 1979 ingehuldigd. Wat is erger dan oude rommel? Moderne rommel. Het complex is gegroepeerd rond een binnenkoer. De huizen zijn te klein, de verhoudingen tussen deur/raam/gevel/overzijde zijn niet juist. Alles is benepen gezellig. Aan de vensters zijn geometrische constructies aangebracht die dienstdoen als bloemenbak. Geraniums. Het ornement neemt ten aanzien van de gevel teveel ruimte in. Op de binnenplaats een werk van Anne en Patrick Poirier, twee stukken die met elkaar verbonden zijn door een goot. Ook deze structuren zijn naar verhouding te klein. Plots wordt alles hier pretentieus-provincialistisch. Als je de achterzijde van de huizen bekijkt, wordt het nog erger. Hier een lange monotonie van vensters, allemaal dezelfde grootte: een gelijkvloerse en twee verdiepingen. Nergens onderbroken door een ander architecturaal element, al was het maar een deur. Zo krijg je het gevoel van een kazerne, een internaat. Maar tegelijkertijd voel je aan dat dit niet zo is, want het complex is daarvoor te klein en de ramen te groot. Om dit alles af te ronden worden pilaren verwerkt. Het zinloze ornament. Postmodernisme is de naoorlogse neogotiek.

Comments [0]

maat en sentiment

Liège. In de kathedraal Saint-Paul ligt/staat het beeld ‘Christ gisant’ van Jean Del Cour, een beeld dat oorspronkelijk op een graf stond en later de kerk is binnengebracht. Een beeld dat een meesterwerk is. Wie het gezicht van deze Christus gezien heeft, wil steeds terug. Ik voelde me bijna een romanpersonage dat door een kunstwerk geobsedeerd is en er naartoe gezogen wordt. Dit is het beeld van de humane dood. De stilte die de dood is, het bewegingsloze, de kalmte. Het rusten als triomf van het leven. De dood is hier niet tegengesteld aan het leven maar ís het leven.

Op de ‘sokkel’ van het beeld werd een klimopplantje gezet, de bloempot met crêpepapier omwikkeld. Een vloek tegen alle verhoudingen in. Hier overheerst de wansmaak. Ook in andere kerken in Liège worden goedkope, vulgaire bloemstukken geplaatst: altijd te klein, altijd op een verkeerde plaats. Sommige planten worden op sokkels in de middenbeuk van de kerk geplaatst –waar vroeger monumentale beelden stonden. Dit is niet alleen alle gevoel voor verhoudingen verliezen maar het betekent ook dat het volks sentiment de kerk heeft overgenomen.

In dezelfde kathedraal was er een tentoonstelling van Mariabeelden. Wat interessant geweest had kunnen zijn, is hier een louter naast elkaar zetten van beelden. Ook het decor werd verwaarloosd. Op het altaar staat een beeld, het altaarstuk zelf wordt door een plaat aan het oog onttrokken. Maar ook weer niet helemaal –men vond waarschijnlijk geen bredere plaat. Dus blijft de achtergrond aanwezig, halvelings. Ook hier staan planten in langwerpige, plastieken bakken tussen de toeschouwer en de beelden. Ze staan te droog. De volgende keer dat de planten water gegeven zal worden, zal het houtwerk beschadigd worden. Er is een functie: wie voorbij de plant reikt, zet het alarm in beweging. De catalogus, natuurlijk op blinkend papier, is een voorbeeld van hoe een boek niet gemaakt moet worden: het lettertype veel te groot, de foto’s lukraak op de pagina geplaatst, een onbenullige tekst. Ook hier zijn de verhoudingen, is de maat zoek. Misschien is dit wel cultuur: niet zozeer de inhoud, maar de maat, het karkas, de structuur.

Comments [0]

hera

Hera, de godin met de blanke armen. We lezen de Ilias en kunnen er ons iets bij voorstellen maar we weten niet meer wat de woorden voorstellen. Wat is er speciaal aan de blankheid van de armen? Aantrekkelijk? We lezen van Joris Van Parys de biografie over Cyriel Buysse en hij haalt een fragment aan: bij het zien van de witte armen, komt het beest in de man los. Is er ergens in het geheugen nog opgeslagen dat het zien van een vrouwelijke enkel een geschenk uit de hemel was? Het tonen van delen van het naakte lichaam, is in sommige gevallen het tonen van macht. De vrouwenborst als teken van overheersing. In ‘De morgen’ van 8 september 2008 een artikel over ‘jonge rijkeluisdames ontdekken liefdadigheid’. Vijf vrouwen worden er getoond. Vier hebben er blote armen, drie van de vijf hebben blote schouders (de vijfde draagt een jasje waardoor haar schouders bedekt zijn).

Comments [0]