‘La Chamade’ is een niet zo grote Franse film uit 1969 van Alain Cavalier. Catherine Deneuve is Lucille en haar vriend is Charles, Michel Piccoli. Er zijn enkele flauwe bespiegelingen over vrijheid. De regisseur is geen Godard. De prent is een verfilming van een boek van Françoise Sagan, geen Nathalie Sarraute.
Toch merkwaardig, de vrouw verlaat haar rijke vriend en haar luxe-leven om met een armere intellectueel, Antoine, op te trekken. Ah, l’amour. Oh, la douceur. Dit duurt echter niet lang. Te weinig geld, de romantiek dooft. Ze keert terug naar Charles. Peis en vrede.
Het is enkel de Franse cinema die dit soort ‘good end’-versie kan geven. De Franse cultuur (en 68 is nog aan de gang) zegt dus: ‘vrijheid lost niets op, vrijheid is geen geluk, armoede is een schande. Het burgerlijke leven is het echte leven.’ Er is geen enkele cultuur zoals de Franse waar bourgeoisie een synoniem is van vrijheid, geluk, mogelijke liederlijkheid. Het echte leven is omringd te zijn met mooie dingen, te doen waar je zin in hebt en de maatschappelijke banden ironiseren. Er is een omkering van waarden: zij die werken –de onvrijheid, de kneuterigheid, de kleinburger-, zij die flaneren –de vrijen, de grootmoedigen, de bourgeois. (Ook het Belgisch surrealisme heeft deze mentaliteit gekend.) Er is geen enkel ander land waar de Franse Revolutie nog elke dag haar gelijk aantoont. In de hedendaagse film zal iemand die een scheve schaats rijdt ofwel vermoord ofwel verminkt worden.
Nog een merkwaardigheid. Het wordt gemeengoed te spreken over de ontwaarding van de literatuur. De simpelen verwijzen dan naar het internet. Toch is dit een proces dat al langer bezig is. Antoine, de arme minnaar in de film, leeft tussen de boeken. Op zeker moment is er een feest bij een vriend van Charles en Lucille. Aan de muren hangen alle iconen van de Franse schilderkunst. Ook een grote gouache van Bram van Velde, enkele kleinere werken van hem. Het is geen toeval dat de wereld van de beeldende kunst gesteld wordt tegenover die van de literatuur. Rijkdom tegenover armoede. Vrijheid tegenover verknechting.
Schoonheid en kracht. Michel Piccoli zien vóór een Bram van Velde. Catherine Deneuve in één oogopslag kunnen vatten met een Bram van Velde: het paradijs op het scherm.
Comments [0]
- Gent is een stad van kennis en cultuur. Bepaalde niet-cruciale diensten kunnen [bij een grieppandemie] gesloten worden, zegt de schepen van Personeelszaken Resul Tapmaz (SP.A) in De Gentenaar van 31oktober 2009. ‘Tezelfdertijd heeft de stad een grote lading papieren zakdoekjes besteld', zegt Tapmaz nog. ‘We willen de verspreiding van de griep op die manier tegengaan. Voor ons personeel, maar ook voor de klanten aan de loketten zullen we die papieren zakdoekjes ter beschikking stellen.'
- De mens is stompzinnig. Dus ook de Klara-luisteraar.
- Geert Joris, algemeen directeur van Boek.be, schoffeert in zijn toespraak op de boekenbeurs eerst de poëzie: ‘Vrees niet, ik ga niet experimenteel dichten …’ om even later te pleiten voor overheidssteun omdat boeken een ‘cultuurproduct […], bevatter en doorgever van kennis’ zijn. In werkelijkheid levert het grootste deel van de commerciële boekensector noch kennis noch cultuur, integendeel. Door wat het aflevert, bevordert het de gedachteloze maatschappij. Nogmaals herhaalt Joris de clichés over het leenrecht. Toch kan men weten hoe weinig dit voor de auteurs zou opleveren.
- Liesbet Vrieleman, één van de drie VRT-hoofdredacteurs, antwoordt in DS van 31 oktober op de vraag: ‘Blijft cultuur niet stiefmoederlijk behandeld?: ‘Kom zeg, we brengen meer cultuur dan ooit. Breed, dat geef ik toe. K3 hoort daar ook bij, maar we werken dan ook voor een breed publiek.’
- Kamagurka werkt zowel voor Humo als voor ‘Het Laatste Nieuws’. In dezelfde krant verklaart hij dit. ‘Als artiest moet je je grenzen verleggen en proberen om telkens een nieuw publiek aan te spreken.’
Comments [0]

Bestaat er een foto waarop Picasso aan het lezen is? Hij heeft zijn kinderen al lezend geschilderd en getekend, ook sommige vrouwenfiguren. Een bekend schilderij is ‘het groene’: een zachtvloeiende vrouw die zich buigt over het boek. In tegenstelling tot het lezen zelf zijn veel werken met lezende figuren ingehouden van actie, gebaldheid en kracht. Picasso heeft zelf ook boeken geschreven. Heeft hij zichzelf ooit geschilderd als een lezer?
Liever toonde hij zich de heerser.
John Berger had ongelijk als hij de grootheid van Picasso beperkte tot de ‘Guernica’. Picasso is belangrijk door zijn levensbevestiging –en ook daarom is hij een Fremdkörper in de Westerse cultuur van de twintigste eeuw. Zelfs de vernietiging is bij hem een levensdrift. Picasso toonde zich in zijn werken een anti-metafysicus, een jager op leven, een heiden.
Francis Bacon was een figuur wiens gedrag buitenmaatschappelijk was –maar zijn kunstenaarschap was minder relevant.
James Ensor was dat: een eenling in de wereld. Niet één stijl maar vele tegelijkertijd.
De kunst van Picasso heeft een traditie in de volkscultuur, niet in het classicisme of de romantiek. Ook in de literatuur heb je erfenisdragers van Rabelais –de wereld omkeren. Bohumil Hrabal was een buitenstaander maar heeft de Tsjechische literatuur bepaald. Op sommige momenten was Hugo Claus het ook: centrum én marge tegelijkertijd. Toch was er bij hem ook de hang om te behagen. Hij wilde tot de kern behoren. Soms, nu en dan, zie je een schemer van anarchistische opstand.
Bukowski was zeker een buitenstaander maar is een referentiepunt gebleven. Zijn gedicht ‘Style’ blijft onovertroffen.
Zijn het alleen mannen? Nee, luister en kijk naar Kylie Minogue. Bewonder Janet Jackson.
Comments [0]
Uitgeverij Atlas brengt van Italo Calvino twee heruitgaven. De uitgeverij heeft het gelukkige idee gehad schilderijen van Pablo Picasso te gebruiken. Boeken en schilderijen hebben in hun ontstaan niets met elkaar te maakte. Picasso maakte geen illustratie, Calvino schreef geen verhaal bij de beelden. Beide kunstenaars zijn speelvogel. De verhalen van Calvino krijgen door het werk van Picasso een meerwaarde. Kleur, vorm, vreugde.
Picasso is een bijzonder geval. Hij staat ongetwijfeld in het centrum van de Westerse cultuur en toch opereert zijn werk vanuit de marge. Zijn lichamelijkheid, zijn mateloosheid, zijn ‘monomaan’ schilderen maken van hem geen kunstenaar van de twintigste eeuw maar iemand die de tijd overstijgt. Uiteraard was Picasso een burger in de maatschappij maar hij was even goed de autonome kasteelbewoner. Picasso is zichzelf kunstgeschiedenis: een begin en een einde in één persoon.
Over Picasso werd door Henri-Georges Clouzot in de jaren vijftig een film gemaakt. De muziek was van Georges Auric. Het was de tijd dat moderne muziek een functie had: de moderne tijd begeleiden. Picasso schildert en Clouzot filmt. Bedoeling was om de creativiteit aan het werk te zien. Een fascinerend meesterwerk is dit geworden. Picasso zit te werken aan een klein schilderij. We zien hoe dit ene werk wel dertig verschillende versies bevat, waarvan er 29 zeker meer dan een modaal Picasso-werk zijn. Uiteindelijk heeft Picasso het schilderij dan nog zelf verknoeit. (Hoe het medium de inhoud beïnvloedt: de filmer zegt op zeker moment dat de band bijna op is en dat Picasso nog hoogstens 3 minuten heeft. Picasso, de rustige zekerheid, werkt tegen de tijd in. Het is het vreemde medium dat mede het schilderij bepaald heeft.)
De werkwijze van Picasso wordt door de film echter niet ‘uitgelegd’. We zien hoe Picasso van de ene ‘lijn’ naar een andere gaat. Hij maakt de beelden niet af, maar hij werkt meer als een beeldhouwer die toevoegt. Hij maakt geen volledig beeld, maar een gedeelte om die later af te werken, te smeden tot een geheel. Je weet niet altijd of en waar Clouzot geknipt heeft maar de opbouw van de schilderijen lijken chaotisch te zijn. Is dit een spiegel van Picasso’s hersenen? Weet hij wat hij zal schilderen, waar elk beeld, elke figuur moet komen? Of zijn het de al getekende lijnen die het schilderij een richting geven?
Comments [0]
In (H)art nr. 56 een interview van Hans Theys met Raoul De Keyser. Interview? Beter te spreken van een poging. RDK is stug en streng. Op zeker moment zegt hij: ‘Ik lees geen teksten over kunst. Vroeger schreef ik zelf van die teksten, maar ik ben ermee gestopt toen ik mijzelf voor de zoveelste keer het woord ‘spanningsveld’ zag gebruiken.’
RDK is een schilder voor schilders omdat hij reflecteert (een woord als spanningsveld) over de manier van werken, het medium verf, het doek, de handeling en het stoppen. In het verlengde hiervan denkt hij na over de taal als instrument, als cliché.
Opvallend hoeveel woord-intellectuelen het over het ‘spanningsveld’ hebben. Sommige woorden zijn besmet geworden, zijn uitgesleten en vals geworden. Ze doen denken aan ‘de internationale solidariteit’, ‘de macht van het proletariaat’, ‘de flexibele mens’, ‘de eenentwintigste eeuw’. Toch hebben we die woorden nog nodig. Het is door het verkeerde gebruik dat de woorden vals worden.
Opvallend hoeveel schrijvers de taalclichés herhalen en herhalen en herhalen. De taal is een uiting van denken. Of van schamelheid.
Comments [0]

Herakleitos werd ook wel eens de wenende filosoof genoemd. Julius de Boer verklaart: ‘Dit is wel zeker dat hij, met zijn trotsch karakter en zijn boven de dwaasheid en slechtheid verheven geest, zich terugtrekkende in zijn wijsheid en in de afgetrokkenheid van zijn denken, alleen aan zichzelf genoeg had, en daarom ook de menschen van zijn tijd, die daarvan afkeerig waren, diep verachtte.’ (Groote denkers).
In fragment 45 (Dielz-Kranz) verwoordt Herakleitos een voor de Griekse Oudheid opvallend standpunt. De menselijke geest overstijgt het individuele. De mens is beperkt, de kennis immens. Het fragment werd door verschillende vertalers in het Nederlands overgezet.
‘Der ziele grenzen kunt gij niet vinden al doorloopt gij elken weg: zo diepen grond heeft zij.’ (Julius de Boer, Groote denkers, s.d. [omtrent 1920?])
‘De grenzen van de ziel kan men niet vinden door te reizen, al trok men alle wegen langs; zo diepen zin heeft zij.’ (Everhard Hoek, Fragmenten, 1944)
‘De grenzen van de ziel kunt ge niet ontdekken, welke weg ge ook aflegt: zulk een diepe grond heeft ze.’ (F. De Raedemaeker, ‘De philosophie der voorsokratici’, 1953)
‘De grenzen van de ziel kan men onderweg niet vinden, al liep men alle wegen af, zo een diepe zin heeft zij.’ (Laurens Vancrevel, Panta rhei, 1969)
‘De grenzen van de ziel zul je niet gaandeweg kunnen ontdekken, ook al bega je ieder weg: zo onuitputtelijk is wat zij te verklaren heeft.’ (J. Mansfeld, ‘Fragmenten’, 1987, ‘Aldus sprak Heraclitus’, 2006)
‘Van de ziel zul je de grenzen op je speurtocht niet vinden, al bewandel je elke weg: zo diepe samenhang heeft zijn.’ (C. Verhoeven, Spreuken, 1993)
‘De grenzen van de geest zul je al lopend nooit vinden al ga je alle wegen af: zo diep is zijn inzicht.’ (Paul Claes, Honderd fragmenten van Herakleitos, 2009)
Volgende week verschijnt bij Druksel ‘Honderd fragmenten van Herakleitos’, vertaald door Paul Claes. Het boek opent met een nieuw gedicht van deze laatste.
Comments [1]
In 1565 verscheen bij Richard Breton te Paris het boek ‘Les songes drolatiques de Pantagruel’. Ook al brengen de getekende figuren zijn leefwereld in beeld, toch heeft
François Rabelais met deze tekeningen en dit boek weinig te maken. Er is lang gespeculeerd over de betekenis van dit boek en nu nog zijn niet alle verklaringen even bevredigend.
Op de titelpagina liet de uitgever drukken: ‘pour la recreation des bons esprits’.
In 2009 verscheen bij uitgeverij Sfcdt, gevestigd in Monomotapa, ‘Les abstractions drolatiques’. De 120 tekeningen uit 1565 werden, ’pour les amateurs’, naar de 21ste eeuw overgebracht. Dit boek verscheen in een oplage van 126 exemplaren en kost 25 euro.
Men beweert dat de auteur van ‘Les songes drolatiques’ een modellenboek heeft gepubliceerd. Toch lijkt dit te min. De vormen hebben echter niet alleen een decoratieve functie, maar ook een betekenis. Hij wilde hekelen: nonnen, paters, priesters, machthebbers, gierigaards, verkwisters, oude vrouwen, jonge vrouwen, dwaze mannen, protserige mannen: iedereen kon de ander in een of ander beeld wel herkennen. Van sommige prenten kun je de geur ruiken. De prenten klagen aan maar lachen ook. De lach is het leven aanvaarden.
De abstracte kunst is een heilige kunst. Ze staat los van het vuile leven. Ze is zuiver. De lijnen zijn recht, de kleuren helder en eenduidig. De paradox is dat velen menen dat abstracte kunst gelijk staat met wiskunde en wetenschap. De bronnen van het abstracte zijn echter te vinden in bizarre geloofsvormen. Malevitsj had eigenaardige opvattingen. Mondriaan was een adept van Blavatsky.
Toch kan er ook een andere abstracte kunst bestaan: die van het leven, een abstract realisme. Er zijn kronkels, er zijn doorhalingen, de hand is zichtbaar. Er zijn draden die haren kunnen zijn. Of slijm. Hoe duidelijk kan abstracte kunst de wereld onderuit halen? Hoe ver kan de abstractie gaan zodat het realisme terug zichtbaar wordt?
De auteur van ‘Les abstractions drolatiques’ heeft op elke prent uit de 16de eeuw een antwoord getekend. Hij deed dit door details over te nemen, door een houding te imiteren, te parafraseren, een mentaliteit te beamen. Sommige prenten verwijzen naar modernistische kunstenaars. Bij andere had de auteur bepaalde personen en/of situaties voor ogen. Soms vertekende hij de vormen van de 16de naar de 21ste eeuw. Soms bekoorde hem een onooglijk, niet meer te achterhalen detail. Een stofje, een vliegje. Een mug die er moest zijn of niet zijn.
Voorbeeld 1. De reeks van de 21ste eeuw begint met een zelfportret. In de zestiende eeuw is de figuur nauwelijks zichtbaar, toch is hij strijdvaardig en gaat hij eensgezind met zijn instrument (zie de riem) de vijand tegemoet.


Voorbeeld 2. Prent 105 uit 1565 toont een hybride wezen dat op een boom rust. Het wezen is de klepel, de klok wordt door de klepel en een tak van de boom in evenwicht gehouden. De boom is meer dood dan levend. Wat wil dit zeggen? Wil men dan toch een eenduidige verklaring? Toch komt deze vreemdheid ook ons bekend voor. Dit is geen staatsieportret. Wat kan er in de 21ste eeuw nog gebeuren? Is dit een boom? Dan toch een boomportret van Samuel Beckett. En wat doet die rare structuur daar hangend in de lucht? Heeft die dan geen behoefte aan een steunpunt, een cartesiaans standpunt? Hangt er een pijl in die boom? Willem Tell? Of is William S. Burroughs gepasseerd? Is dit wel een boom? Is dit geen abstracte onthechtheid?


De 21ste eeuw toont de versplintering, de keuze, de wankelmoedigheid. De prenten tonen wat ze zijn. Zo bevat elke bladzijde een tweede waarheid die –in tegenstelling tot de oppervlakte- er niet is.
Soms is het om te lachen, soms om te huiveren. Altijd ernstig. In de 21ste eeuw ‘Pour les amateurs’, in de 16de eeuw ‘Pour la recreation des bons esprits’.
Bibliografie.
‘Les songes drolatiques de Pantagruel ou sont contenues cent vingt figures de l’invention de maitre François Rabelais copiées en fac-simile par Jules Morel sur l’édition de 1565, pour la récréation des bons esprits, avec un texte explicatif et des notes par le Grand Jacques’ (Chez les bons libraires, 1864)
‘Les songes drolatiques de Pantagruel’, introduction de Michel Jeanneret (Droz, 2004)
‘Portrait des mouches : sur Les songes drolatiques de Pantagruel’, Pierre Jourde (L’archange minotaure, 2007)
Renaissance et modernité du livre illustré : ouvrages remarquables de la collection Jean Bonna (Cabinet des estampes du Musée d’art et d’histoire, Genève, 2007)
(‘Pour ce que rire est le propre de l’homme’)
Comments [1]

Een kamer waar zinnen op papier worden geschreven. Losse feiten, beelden, bewegingen die gedachteloos opkomen. Wat is archetypisch? Wat is functioneel? Waarom dit en waarom niet dat? Jaren later roept Elisabeth Tonnard een landschap op, een landschap dat een mentaliteit is, een mentaliteit die een verlangen wordt, een verlangen dat zich nooit volledig laat realiseren. Er wordt een verveling beschreven die zindert van het mogelijke. Tussen de regels (ook typografisch zichtbaar gemaakt) gloort iets. Maar wat? Het is de tussentijd. Voorlopig nog de eindeloze luchten, de mateloze tijd en de dingen die de wereld bouwen.
Een nostalgie naar melancholie.
Johan Deumens toont boeken van haar op ‘The 2009 Editions|Artists Book Fair’ te New York van 5 tot 8 november.
Volgende week verschijnt bij Druksel ‘De wereld zou meeuw’, een gedicht van Elisabeth Tonnard.
Comments [1]
Comments [0]