sfcdt’s posterous

 

balk en splinter

Het is merkwaardig. Velen vinden dat een sociologische visie geldig is - maar dan toch vooral voor de anderen. Het zijn de anderen die beïnvloed zijn, het zijn de anderen die een onderdeel van de machine zijn. Het ik is een individu, de anderen zijn de massa.

Het is het verschil tussen het zelfbeeld en de blik naar buiten. De splinter en de balk.

Toch zijn er altijd figuren die buiten de maatschappelijke wereld een blik hebben waardoor ze zien en weten. André Gide schrijft op 15 september 1931 in zijn dagboek. ‘De olie vervuilt het zeewater. Vandaar de verarming., het steeds verder uitsterven van de prachtige zeeflora en –fauna. Het onweegbaarste spoor van een chemisch vreemd element is voldoende om ze aan te tasten. Die koraalriffen zijn te vergelijken met bevolkingen die worden uitgeroeid door de gifgassen van toekomstige oorlogen. Ik legde de schuld bij de fabrieken aan de kust, maar het zijn de schepen zelf die tegenwoordig op hun vaart, onder zich, in hun verre omtrek, vernietiging zaaien.’ (‘Het innerlijk blauw, vertaling Mirjam de Veth)

Nu zijn we zo verlicht dat we zelfs geen oorlogen meer moeten voeren om onszelf te vergiftigen. Het consumptiekapitalisme is waarlijk efficiënt en rationeel, het kan de middelen beperken.

Comments [0]

het zal nooit en het is

Het onderscheid tussen privé-domein en publieke ruimte heeft ook te maken met het soort mens dat gekweekt wordt. De publieke ruimte wordt nu overheerst door wat vroeger privé was. Daardoor veranderen de normen. De pornoficatie van de maatschappij bijvoorbeeld, is enerzijds de ontheiliging van seksualiteit maar is ook een aanslag op de fysieke integriteit van de persoon zelf én van de toeschouwer. De gevoeligheid voor wat kan of niet kan in de publieke sfeer is verdwenen: de schroom is overwonnen. Het feminisme heeft het gehaald: de schaamte zijn we voorbij.

De paradox is dat iedereen de mond vol heeft over het ik, de authenticiteit, geheel zichzelf te zijn maar doordat er geen privésfeer meer is, wordt dit ik een collectiviteit. De afstand is daardoor verdwenen en de beleving van het evenement is er voor in de plaats gekomen. Het ik wordt letterlijk in het zuur opgelost.

Majakovski dichtte: ‘Het individu! / Zijn tijd is toch voorbij?! / […] Het individu is kul, / het individu is nul.’ Tussen deze twee ‘verzen’ staat: ‘Een partij / is een miljoenvormige hand / die gebald is / tot één / verpletterende vuist.’

Men heeft gezegd: nooit meer fascisme, nooit meer dictatuur. We leven erin.

Comments [0]

buitenlandse idioten

Er was een tijd dat er een onderscheid was tussen het private en het publieke domein. Dit gold ook voor de economie: deze was gebaseerd op winstjacht en dus minderwaardig aan de houding die economisch handelen als een middel zag tot het verwezenlijken van humanistische doelen.

De kennis behoorde in die tijd tot het openbare domein: onderwijs, academies, bibliotheken, musea moesten die bewaren en ontsluiten, aan een nieuwe generatie doorgeven. Kennis zat uiteraard ook in privé-handen maar er werden structuren opgezet om de kennis aan iedereen me te delen.

Met Google hebben we een eigenaardige situatie. Enerzijds bestaat Google in een omgeving waar kennis vrij gebruikt kan worden, anderzijds komt alle kennis in handen van Google zelf dat een privé-bedrijf is.

Robert Darnton heeft al in alle toonaarden gewaarschuwd voor de gevaren van deze ontwikkeling. Ook Pierre Assouline heeft dit onlangs gedaan (http://passouline.blog.lemonde.fr/2009/11/19/le-probleme-avec-la-bibliotheque-de-lyon/):

On ne le répétera jamais assez : le grand scandale à l’œuvre derrière la tentative de la Bibliothèque Nationale de France de faire affaire avec Google pour la numérisation de ces fonds, c’est qu’elle confie à une entreprise privée, accessoirement étrangère, intransigeante sur les clauses de confidentialité de ses contrats et basée sur la recherche du profit quoi qu’elle en dise, un travail sur notre patrimoine qui relève fondamentalement d’une mission de service public. Comme si la modernité exigeait d’une institution nationale, investie d’une telle responsabilité culturelle, qu’elle se hâte vers la numérisation coûte que coûte ! Le pire est que, sans la vive réprobation quasi unanime, un protocole d’accord aurait peut-être été déjà envisagé alors que, jusqu’à présent, aucune bibliothèque nationale en Europe n’a franchi ce pas ; des campagnes de numérisation ont bien été engagées de manière indépendantes depuis quelques années mais avec une telle faiblesse de moyens que cela ne pouvait inquiéter le projet « Google Recherche de Livres ».

Maar Robert Darnton en Pierre Assouline zijn slechts buitenlandse idioten. Aan de Universiteit van Gent weet men beter. Want hier zijn de tijden echt veranderd en is men waarlijk verlicht: het zijn de behoeders van de kennis zelf die nu uitverkoop houden.

Comments [0]

intellectuele prestaties echter

Er zijn schrijvers die zichzelf romantisch noemen, vrij en onafhankelijk. Ze leven van en door hun pen en hoeven geen broodheer te woord te staan. Maar het zijn slechts uitzonderingen die zelfstandig door het leven gaan. De huidige literatuur is in veel gevallen officiële literatuur: het is de overheid die de schrijver betaalt. Schrijvers zijn daarom in de meeste gevallen ambtenaar. Deze observatie geldt ook voor de beeldende kunst die een museum- en dus een officiële kunst geworden is. (Het gelijk van dada.)

Een schrijver kan een aantal ‘maandeenheden’ krijgen om te werken. De overheid betaalt.

Een schrijver treedt op voor een organisatie. De overheid subsidieert de organisatie en betaalt de ‘lezing’.

Een schrijver schrijft een tekst voor een literair blad. De overheid subsidieert het blad en betaalt de schrijver.

Een schrijver verzamelt een aantal teksten en maakt er een boek van. De overheid subsidieert de uitgever. De overheid richt bibliotheken in. Die kunnen het boek aankopen.

Een schrijver wordt bekroond. Op een of andere manier speelt de overheid een rol: de overheid betaalt of de overheid sponsort –al dan niet via haar eigen media.

Dit is een voorbeeld van een gesloten systeem. De schrijver wordt gevoed. Soms geaaid. Kopje krauw.

Karl Popper sprak van een gesloten maatschappij.

De romantische schrijver (kunstenaar) beweert van zichzelf dat hij de maatschappij vooruit is. In werkelijkheid is deze kooi dezelfde als de maatschappelijke. Er is geen uitweg, er is geen hoop. Zwartheid. Het lonken van de marginaliteit. Majakovski schoot zich dood –hij besefte.

Robert Darnton stelt dat intellectuele prestaties aan de maatschappij behoren en dat het copyright daarom in tijd beperkt moet worden. In feite hebben heel wat schrijvers geen recht op copyright: ze zijn immers al diverse malen betaald.

Komt daarbij deze tijd. Als het internet één verandering heeft doorgevoerd dan is het wel de wijziging in het intellectueel bezit –dat niet langer meer bestaat. Wie op internet wil publiceren, moet zich niet beroepen op achterhaalde normen.

Comments [1]

kraai majakovski

Remy C. van de Kerckhove dichtte over Majakovski: ‘Hij werd de bitt’re nevelzuil van diepe haat en verbittering. / Lied van de nevelzuil van verbittering.’ De nevelzuil verwijst hier naar de vrouw van Lot: ook zij heeft zich gekeerd en is daardoor versteend. Ook Majakovski heeft naar het verleden gekeken en gezien dat de woorden koud en kil zijn. Bij Van de Kerckhove is de dood van Majakovski een politieke daad: hij heeft de misdaden van Lenin gezien en zijn conclusie getrokken.

In 1948 verscheen dit gedicht in de bundel ‘Gebed voor de kraaien’. Jozef Cantré maakte voor de omslag een tekening. Niet zijn meest geslaagde. Het binnenwerk is dat wel: een compact gebonden tekstgeheel.

Bij Manteau verschenen in 1974 de ‘Verzamelde gedichten’, met een prent van Luc Piron op de omslag. Zeker is dit nog erger. Het gedicht wordt hier over twee bladzijden gespreid en wordt aldus verminkt. De kracht van de vorm gaat verloren.

         
Click here to download:
kraai_majakovski.zip (104 KB)

Comments [0]

jan baetens' zondag

Jan Baetens kennen we als een aangename dichter. Hij dicht gemakkelijk en hij leeft gemakkelijk. Enfin, zo komt dit werk over. Hij speelt met de dichtvormen, met de cultuur. Weinig hedendaagse dichters nemen zo moeiteloos de hedendaagse cultuur in al haar vormen op. De verschijningsvormen zijn er om gedicht te worden. Het aangename bij Jan Baetens is ook het belang van de techniek – op deze manier neemt hij op een weldadige manier afstand van zichzelf. De auteur is wel betrokken op de wereld maar hij neemt er als intellectueel ook afstand van. Hij is lid van de wereld maar er niet in opgenomen.

Zijn nieuwste bundel ‘Pour une poésie du dimanche’ (Les impressions nouvelles, Bruxelles, 2009) is (ook) een manifest. Hij gebruikt het woord ‘zondagdichter’ in enigszins provocerende vorm. We denken aan dichters die op een amateuristische manier werken: simpel rijm, een anekdote, een sentiment. Dit is hier niet het geval. Zoals Thierry de Cordier zich een zondagschilder noemt en daarmee afstand neemt van de professionele kunstenaar met zijn contacten en verplichtingen, zo begrijpt ook Jan Baetens het begrip zondag. De dichter heeft een dagtaak –zoals de burger- en hij is dichter. Niet omgekeerd. Het kunstenaarschap wordt anders ingevuld.

Dit is voor Jan Baetens geen last maar een verrijking. Hij schrijft (en zijn begincitaat laat Marcel Duchamp spreken in zijn vernietigende repliek op de kunstwereld): ‘[…], le second métier n’achète pas seulement la liberté – celle d’écrire ce que l’on veut, celle surtout de ne pas écrire quand le désir fait défaut - , elle nourrit aussi l’acte littéraire. Car le texte gagne à parler de quelque chose plutôt que de soi – dont on sait maintenant assez.’

Het is vanuit de vrijheid en de onafhankelijkheid dat de kunst vernieuwd kan worden. En deze liggen grotendeels in het (Kantiaanse) burger-zijn. Het is de Verlichting (in navolging van het humanisme) die de kunstenaar in de maatschappij geplaatst heeft. Het is de arrogantie van de romantiek die hem er uit getrokken heeft.

Over Majakovski dicht Jan Baetens: ‘Camarade, je te donne ta forme fixe: le plan. / Ta prosodie : les quotas. / Ton matériau : les bruits du chantier. / Tes rimes : le sifflet, / / La sirène, / La dynamite / (Ratés compris), / Le canon. […].’

Over Jan Lauwereyns, ‘chercheur en psychologie expérimentale’, schrijft hij in de verklarende noot : ‘Il publie ses poèmes sur la neuropsychologie de la perception visuelle dans des revues comme ‘Nature’, ‘Science’ ou le ‘Journal of experimental psychologie : animal behavior processes.’

En verder laat hij spreken dichters als Paul Nougé, Jacques Roubaud, Wallace Stevens, e.a.

(foto: Emile Verhaeren aan de Rue de la parcheminerie, Paris)

Comments [0]

een lezer

Op de website van de Brakmankring stond deze afbeelding van een pagina uit "De estetiese teorie van Adorno en Benjamin", door Cyrille Offermans en Frits Prior (SUN, 1977). Is dit nu een voorbeeld van leescultuur (ja zeker), van boekcultuur (ja zeker)? Maar dus niet van bibliotheekcultuur. Brakman staat in de humanistisch-modernistische traditie waar het boek een werkinstrument was voor een individuele lezer. Het zijn de kanttekeningen (bij Brakman: sic) die het boek tot een individueel exemplaar maken, tot het bezit van een lezer. Dit is lezen –en niet consumeren- omdat er een dialoog komt tussen schrijver en lezer. De lezer voegt zichzelf aan de geschreven tekst toe.

Maar het is evident dat deze manier van werken niet toepasselijk is in een bibliotheekcultuur. Het idee van een bibliotheek komt immers -gedeeltelijk- uit een andere traditie: die van het collectieve, van het belang van een publieke sfeer. Daar is het boek géén individueel maar een collectief bezit/goed. Het boek moet door verschillenden gelezen kunnen worden en daarom moet het neutraal blijven, mogen er geen individuele kenmerken aan verbonden worden.

Het boek draagt in zich de twee grote tradities van het Westen: het individualisme en het collectivisme. Het is een graadmeter voor de problemen van de tijd. De problematiek om literatuur en kritiek in boekvorm of digitaal te publiceren, gaat over meer dan het internet-cliché.

Comments [0]

het ja van majakovski

Bengt Jangfeldt is niet mals voor zijn onderwerp in de biografie ‘Een leven op scherp’: Majakovski heeft zijn ogen niet open gehouden en hij heeft zichzelf in de val gezet. Een horige van de machthebbers. Een abject persoon. Maar nog erger zijn Lili en Osip Brik: beiden hebben voor zichzelf het systeem uitgezogen en beiden hebben het systeem in stand gehouden door het verraad als beroep te kiezen. Altijd zijn er wel voorbeelden te vinden dat er mensen geholpen zijn, maar door hun handelen hebben ze de menselijke waardigheid verraden.

Jangfeldt geeft voorbeelden van hoe een corrupte maatschappij de burgers corrumpeert. De beginjaren van het Russisch communisme zijn in de immoraliteit te vergelijken met onze tijd. Jangfeldt toont ook aan hoe ver men te ver kan gaan. Hij veroordeelt ronduit diegenen die kwaadwillig gekozen hebben voor de macht. Hij wijst er op dat er steeds anderen waren: zij die neen gezegd hebben. Een dodelijke zin is bijvoorbeeld: ‘Een van de vele schrijvers die gehoorzaamden, was Majakovski […]’. Of ook ‘ […] getuigt […] van de morele devaluatie waaraan niet allen de Sovjet-Russische maatschappij maar ook Majakovski in die tijd onderhevig was.’ Jangfeldt is genadeloos als hij de vernederingen van Majakovski door minkukels beschrijft. Toch is het diens verdiende loon. Zoveel onzin heeft Majakovski neergeschreven! Hij heeft de staatsleugen vorm gegeven en gelegitimeerd, hij heeft de woorden misbruikt en de betekenissen belachelijk gemaakt. Wat in de tijd politiek correct was, is toen al door anderen –o.a. Pasternak- als een misdaad beschreven. En dan de pantomime van Majakovski’s zelfmoord: pathetische onzin, slecht theater in de hoop dat men hem zal rehabiliteren. Er zijn tijden dat het spreken moediger is dan de dood.

En toch.

En dan ook: de schoonheid van de beeldende kunst. Die in dienst van de macht stond.

Comments [0]

laus stultitiae

Comments [0]

literair beleid

Oh nee, we zullen geen citaat zoeken om haar vanuit de dood te laten roepen. Wel weten we dat het soms beter is te verdwijnen dan genoemd te worden –want wie genoemd wordt, is ook verdoemd.

Christine D’haen is overleden en vanuit de katholieke oppositie wordt de Vlaams-nationalistische schepen van cultuur te Gent aangemaand een straat of plein naar de schrijfster te noemen.

De schepen zal daar graag op ingaan. Zo kan er gesproken worden van een literair beleid (een verwezenlijking! de stad Gent eert haar schrijvende dochter!) en tegelijkertijd wordt in een andere lacune voorzien. De fiere stede Gent treurt al jaren omdat er zo weinig straten of pleinen een vrouwennaam dragen. Tot voorbij de stadsmuren spreekt men van een schande en een discriminatie.

Dit is wat men met doden doet. Zo wordt een dode schrijfster gebruikt.

Standbeelden of straten naar personen vernoemen is een gebruik van de negentiende eeuw. Geworteld in de romantiek. Wie dit nu nog voorstelt, is lui: de romantiek is niet alleen een leugen maar ook gemakzuchtige simpelheid. We denken niet meer: we doen zoals de vroede voorvaderen in de negentiende eeuw. We maken van een oeuvre dat waarheid spreekt, een plaasteren kop.

Boekcultuur heeft geen uitstaans met heldendom, met een hoop stenen, met het knippen van lintjes, benepenheid, lokale bekrompenheid.

Comments [0]