sfcdt’s posterous

 

rabelais (3)

Vandaag de dag is men krampachtig zichzelf.

- ‘Ik wil geheel mezelf zijn.’

- Wat is dat ‘jezelf zijn’?

- ‘Awel, mezelf zijn. Zo helemaal gans en overal tegelijk.’

Comments [0]

rabelais (2)

Bij Rabelais zien we de wording van het humanisme. Enerzijds hebben we nog de ongebondenheid, anderzijds is er een streven naar ‘fatsoenering’. Rabelais gebruikt getallen die doen duizelen. ‘Na die woorden werd het avondeten klaargemaakt en bovendien roosterde men: zestien runderen, drie (in de vertaling van J.M. Vermeer-Pardoen; bij Sandfort zijn het er vier) vaarzen, tweeëndertig kalveren, drieënzestig jonge geitenbokjes, vijfennegentig schapen, driehonderd speenvarkens, […]’. Deze getallen mogen een parodie zijn op de exacte getallen van de bijbel, ze zijn ook een uiting van ‘kinderlijke’ verruktheid om het plezier van de veelheid. Er is de vreugde om de mateloosheid van het lichaam, nooit beperken, altijd loslaten.

Maar Apollo begint toch ook zijn stempel te drukken. Hoofdstuk 23 van het boek Gargantua is een voorbeeld van hoe er moet onderwezen worden. Constant dus: het leven is er om te leren, om kennis op te doen, om gehumaniseerd te worden. Rabelais ontwerpt een nieuwe ethiek. Hij baseert zich daarvoor op ‘het juiste midden’ van Aristoteles –en staat daarmee ook dicht bij het werk van Erasmus. Men wil de excessen achter zich laten en een leven leiden dat door de rede gedomineerd wordt. Tristan Vigliano exploreert dit alles in zijn werk ‘Humanisme et juste milieu au siècle de Rabelais’ (Les belles lettres, 2009). Hij komt daarbij tot de conclusie dat de twee traditionele standpunten niet geldig zijn. Zowel diegenen die zeggen dat Rabelais niet ernstig te nemen is, als zij die menen dat Rabelais een doodernstige humanist is. Vigliano tracht aan te tonen dat er bij Rabelais een meta-bewustzijn aanwezig was: we moeten naar het goede streven omdat het onmogelijk is. We moeten het rechte pad bewandelen omdat er geen recht pad is. En daarin is Wallace Stevens (en de pragmatische school) met de ‘transcendentale illusie’ een leerling van Rabelais. De ‘Notes toward a supreme fiction’ is dit manifest: we geloven de fictie, omdat de fictie onwaar is en er niets anders is.

Comments [0]

rabelais (1)

Ook ‘Gargantua’ en ‘Pantagruel’ zijn niet de boeken die bekend zijn om hun rabelaisiaanse eigenschappen. Overdadigheid, mateloosheid, boeren, drinken en zwijnen. Integendeel, soms zijn ze een pleidooi voor gebondenheid en staan ze bijzonder dicht bij het gedachtegoed van Erasmus. We kunnen in dit werk de vorming van het subject aan het werk zien. In het derde en het vierde boek is Pantagruel geen reus meer, hij verandert in een wijze vorst (het werk van Rabelais is een vorstenspiegel). Vooral de figuur van Panurge evolueert heel sterk: in het begin is hij een Tijl Uilenspiegel maar in het derde en het vierde boek is hij in sommige passages ronduit een lafaard, een schurk, een onderkruiper. Zijn gedrag is niet langer te waarderen.

Tot voor kort vonden wij dat dit niet kon: een personage moest consistent zijn, de psychologie moest verklaarbaar en dus traceerbaar zijn. Oorzaak en gevolg moeten duidelijk gegeven zijn. Bij Rabelais zien we dat dit nog niet belangrijk is: het subject als een geheel, als een afgerond wezen is er nog niet. De mens is zowel een intellectueel wezen als een kind dat geen grenzen kent. De psychologie bestond gewoonweg niet.

De Westerse cultuur heeft het mensbegrip consistent gemaakt. Iemand is X en iemand anders is Y. Dit is geëvolueerd naar de identificatie met de rol die men maatschappelijk te spelen heeft. Wat men verwacht van een dokter, wordt ook door hem gedaan. Een volwassene gedraagt zich als een volwassene.

Nu zijn er twee tendensen bezig. De eerste is dat deze evolutie nog verder gaat en dat het persoonlijke ook in de publieke sfeer getrokken wordt. Dit is wat we nu noemen: de hel beleven. Een andere tendens is de verbrokkeling van het ik: het subject bestaat niet. We kunnen dit lezen in het werk van Willem Brakman. Hij beschrijft personages die geen consistent gedrag vertonen. Hun uitleg is niet noodzakelijk rationeel.

Toch blijken beide tendensen niet tegenstrijdig te zijn want ze vernietigen allebei het individu. Als het waar is dat het boek als object en als leefwijze verbonden is met het humanisme, dan kan het niet anders dan dat het boek in deze tijden marginaal wordt.

Comments [0]

bardot-simenon

In de film ‘En cas de malheur’ is Jean Gabin de notabele. Succesvol en rijk. Maar dat brengt een gevaar met zich mee. Het bastion is door jonge schoonheid in te nemen. Brigitte Bardot speelt de rol van het licht. (Er zijn twee godinnen van het doek: Marilyn Monroe en Brigitte Bardot. Wie de jonge Bardot gezien heeft, weet dat er maar één godin is.) Zij vraagt zijn hulp. Zij heeft geen geld, niets. Hij vraagt haar: wat heb je mij te bieden. In de film wordt de camera laag gehouden. Bardot leunt tegen de tafel, een bil op de rand. In de verte, in het midden van het beeld staat Gabin. Donker, dreigend, de handen in de broekzakken, wijdbeens. De houding: ‘wat kun je mij maken?’ Links staat een kast met mappen. Gabin heeft dus te kiezen tussen de zekerheid of de lichtheid van het meisje. Op zijn vraag haalt Bardot haar mini-rok omhoog. Dit.

De film is gebaseerd op een boek van Georges Simenon.

Bardot is het zinnebeeld van de schoonheid, de lichtzinnigheid. Haar haat tegen de islam is niet te verwonderen. Zelfbehoud en trots. Dat ze daartoe het rechtse discours moest kiezen, is één van de trauma’s van onze tijd. Maar het toont ook aan hoe de bourgeoisie in staat geworden was een zekere lichtzinnigheid het leven binnen te halen. Een lijfelijkheid. Een levensaanvaarding.

Dit is primitieve seksualiteit. De vrouw biedt zich aan –dat de man verovert, is een illusie, en Bardot doet dit hier op de meest exclusieve wijze. Niet haar borsten, niet haar billen, haar ogen of het haar: de kut, de put.

Simenon beschrijft in ‘En cas de malheur’ de verleidelijke als een spichtig ding, een typisch product van de jaren vijftig: verloren, spichtig, onverzorgd, een vat zonder bodem. Dat Lucien Gobillot op haar verliefd wordt, maakt de zaak des te tragischer. Het boek is grauwer, rauwer. Maar geen Bardot.

Hij is gehuwd met Viviane. Yvette is de blonde rampetamp.

Yvette heeft met een vriendin een overval gepleegd en zij komt Gobillot vragen haar te verdedigen. Het onmogelijke gebeurt: het kan niet anders dan dat ze veroordeeld wordt, Gobillot slaagt erin hen vrij te spreken. En dan begint hij haar te onderhouden. Er is nog een andere gegadigde, die haar later zal vermoorden. Schoonheid en gevaar. Een driehoeksverhouding in het appartement dat Yvette gekregen heeft.

Simenon, de meestr-schrijver, een niet-romanticus, ook zijn hoofdfiguren zijn zo. Hij vraagt zichzelf af hoe het begonnen is: ‘C’est la solution facile, ce que j’ai envie d’appeler la solution romantique.’

Viviane weet van zijn avontuur, laat het toe. ‘Seulement, elle est belle joueuse et regarde la vérité en face, acceptant d’avance ce qu’elle est impuissante d’empêcher.’

‘Je ne me repens de rien. Je ne crois de rien. Je n’ai jamais ressenti de remords mais, ce qui me trouble de temps en temps, c’est d’être saisi de la nostalgie d’une vie différente, d’une vie qui ressemblerait, justement, à celle des discours de distribution de prix et des livres d’images.’ Toch nog romantiek.

Comments [1]

gerard walschap

Comments [0]

la chamade

‘La Chamade’ is een niet zo grote Franse film uit 1969 van Alain Cavalier. Catherine Deneuve is Lucille en haar vriend is Charles, Michel Piccoli. Er zijn enkele flauwe bespiegelingen over vrijheid. De regisseur is geen Godard. De prent is een verfilming van een boek van Françoise Sagan, geen Nathalie Sarraute.

Toch merkwaardig, de vrouw verlaat haar rijke vriend en haar luxe-leven om met een armere intellectueel, Antoine, op te trekken. Ah, l’amour. Oh, la douceur. Dit duurt echter niet lang. Te weinig geld, de romantiek dooft. Ze keert terug naar Charles. Peis en vrede.

Het is enkel de Franse cinema die dit soort ‘good end’-versie kan geven. De Franse cultuur (en 68 is nog aan de gang) zegt dus: ‘vrijheid lost niets op, vrijheid is geen geluk, armoede is een schande. Het burgerlijke leven is het echte leven.’ Er is geen enkele cultuur zoals de Franse waar bourgeoisie een synoniem is van vrijheid, geluk, mogelijke liederlijkheid. Het echte leven is omringd te zijn met mooie dingen, te doen waar je zin in hebt en de maatschappelijke banden ironiseren. Er is een omkering van waarden: zij die werken –de onvrijheid, de kneuterigheid, de kleinburger-, zij die flaneren –de vrijen, de grootmoedigen, de bourgeois. (Ook het Belgisch surrealisme heeft deze mentaliteit gekend.) Er is geen enkel ander land waar de Franse Revolutie nog elke dag haar gelijk aantoont. In de hedendaagse film zal iemand die een scheve schaats rijdt ofwel vermoord ofwel verminkt worden.

Nog een merkwaardigheid. Het wordt gemeengoed te spreken over de ontwaarding van de literatuur. De simpelen verwijzen dan naar het internet. Toch is dit een proces dat al langer bezig is. Antoine, de arme minnaar in de film, leeft tussen de boeken. Op zeker moment is er een feest bij een vriend van Charles en Lucille. Aan de muren hangen alle iconen van de Franse schilderkunst. Ook een grote gouache van Bram van Velde, enkele kleinere werken van hem. Het is geen toeval dat de wereld van de beeldende kunst gesteld wordt tegenover die van de literatuur. Rijkdom tegenover armoede. Vrijheid tegenover verknechting.

Schoonheid en kracht. Michel Piccoli zien vóór een Bram van Velde. Catherine Deneuve in één oogopslag kunnen vatten met een Bram van Velde: het paradijs op het scherm.

       
Click here to download:
la_chamade.zip (241 KB)

Comments [0]

sprokkels op zondagochtend

- Gent is een stad van kennis en cultuur. Bepaalde niet-cruciale diensten kunnen [bij een grieppandemie] gesloten worden, zegt de schepen van Personeelszaken Resul Tapmaz (SP.A) in De Gentenaar van 31oktober 2009. ‘Tezelfdertijd heeft de stad een grote lading papieren zakdoekjes besteld', zegt Tapmaz nog. ‘We willen de verspreiding van de griep op die manier tegengaan. Voor ons personeel, maar ook voor de klanten aan de loketten zullen we die papieren zakdoekjes ter beschikking stellen.'

- De mens is stompzinnig. Dus ook de Klara-luisteraar.

- Geert Joris, algemeen directeur van Boek.be, schoffeert in zijn toespraak op de boekenbeurs eerst de poëzie: ‘Vrees niet, ik ga niet experimenteel dichten …’ om even later te pleiten voor overheidssteun omdat boeken een ‘cultuurproduct […], bevatter en doorgever van kennis’ zijn. In werkelijkheid levert het grootste deel van de commerciële boekensector noch kennis noch cultuur, integendeel. Door wat het aflevert, bevordert het de gedachteloze maatschappij. Nogmaals herhaalt Joris de clichés over het leenrecht. Toch kan men weten hoe weinig dit voor de auteurs zou opleveren.

- Liesbet Vrieleman, één van de drie VRT-hoofdredacteurs, antwoordt in DS van 31 oktober op de vraag: ‘Blijft cultuur niet stiefmoederlijk behandeld?: ‘Kom zeg, we brengen meer cultuur dan ooit. Breed, dat geef ik toe. K3 hoort daar ook bij, maar we werken dan ook voor een breed publiek.’

- Kamagurka werkt zowel voor Humo als voor ‘Het Laatste Nieuws’. In dezelfde krant verklaart hij dit. ‘Als artiest moet je je grenzen verleggen en proberen om telkens een nieuw publiek aan te spreken.’

Comments [0]

picasso (2)

Bestaat er een foto waarop Picasso aan het lezen is? Hij heeft zijn kinderen al lezend geschilderd en getekend, ook sommige vrouwenfiguren. Een bekend schilderij is ‘het groene’: een zachtvloeiende vrouw die zich buigt over het boek. In tegenstelling tot het lezen zelf zijn veel werken met lezende figuren ingehouden van actie, gebaldheid en kracht. Picasso heeft zelf ook boeken geschreven. Heeft hij zichzelf ooit geschilderd als een lezer?

Liever toonde hij zich de heerser.

John Berger had ongelijk als hij de grootheid van Picasso beperkte tot de ‘Guernica’. Picasso is belangrijk door zijn levensbevestiging –en ook daarom is hij een Fremdkörper in de Westerse cultuur van de twintigste eeuw. Zelfs de vernietiging is bij hem een levensdrift. Picasso toonde zich in zijn werken een anti-metafysicus, een jager op leven, een heiden.

Francis Bacon was een figuur wiens gedrag buitenmaatschappelijk was –maar zijn kunstenaarschap was minder relevant.

James Ensor was dat: een eenling in de wereld. Niet één stijl maar vele tegelijkertijd.

De kunst van Picasso heeft een traditie in de volkscultuur, niet in het classicisme of de romantiek. Ook in de literatuur heb je erfenisdragers van Rabelais –de wereld omkeren. Bohumil Hrabal was een buitenstaander maar heeft de Tsjechische literatuur bepaald. Op sommige momenten was Hugo Claus het ook: centrum én marge tegelijkertijd. Toch was er bij hem ook de hang om te behagen. Hij wilde tot de kern behoren. Soms, nu en dan, zie je een schemer van anarchistische opstand.

Bukowski was zeker een buitenstaander maar is een referentiepunt gebleven. Zijn gedicht ‘Style’ blijft onovertroffen.

Zijn het alleen mannen? Nee, luister en kijk naar Kylie Minogue. Bewonder Janet Jackson.

Comments [0]

picasso (1)

Uitgeverij Atlas brengt van Italo Calvino twee heruitgaven. De uitgeverij heeft het gelukkige idee gehad schilderijen van Pablo Picasso te gebruiken. Boeken en schilderijen hebben in hun ontstaan niets met elkaar te maakte. Picasso maakte geen illustratie, Calvino schreef geen verhaal bij de beelden. Beide kunstenaars zijn speelvogel. De verhalen van Calvino krijgen door het werk van Picasso een meerwaarde. Kleur, vorm, vreugde.

Picasso is een bijzonder geval. Hij staat ongetwijfeld in het centrum van de Westerse cultuur en toch opereert zijn werk vanuit de marge. Zijn lichamelijkheid, zijn mateloosheid, zijn ‘monomaan’ schilderen maken van hem geen kunstenaar van de twintigste eeuw maar iemand die de tijd overstijgt. Uiteraard was Picasso een burger in de maatschappij maar hij was even goed de autonome kasteelbewoner. Picasso is zichzelf kunstgeschiedenis: een begin en een einde in één persoon.

Over Picasso werd door Henri-Georges Clouzot in de jaren vijftig een film gemaakt. De muziek was van Georges Auric. Het was de tijd dat moderne muziek een functie had: de moderne tijd begeleiden. Picasso schildert en Clouzot filmt. Bedoeling was om de creativiteit aan het werk te zien. Een fascinerend meesterwerk is dit geworden. Picasso zit te werken aan een klein schilderij. We zien hoe dit ene werk wel dertig verschillende versies bevat, waarvan er 29 zeker meer dan een modaal Picasso-werk zijn. Uiteindelijk heeft Picasso het schilderij dan nog zelf verknoeit. (Hoe het medium de inhoud beïnvloedt: de filmer zegt op zeker moment dat de band bijna op is en dat Picasso nog hoogstens 3 minuten heeft. Picasso, de rustige zekerheid, werkt tegen de tijd in. Het is het vreemde medium dat mede het schilderij bepaald heeft.)

De werkwijze van Picasso wordt door de film echter niet ‘uitgelegd’. We zien hoe Picasso van de ene ‘lijn’ naar een andere gaat. Hij maakt de beelden niet af, maar hij werkt meer als een beeldhouwer die toevoegt. Hij maakt geen volledig beeld, maar een gedeelte om die later af te werken, te smeden tot een geheel. Je weet niet altijd of en waar Clouzot geknipt heeft maar de opbouw van de schilderijen lijken chaotisch te zijn. Is dit een spiegel van Picasso’s hersenen? Weet hij wat hij zal schilderen, waar elk beeld, elke figuur moet komen? Of zijn het de al getekende lijnen die het schilderij een richting geven?

   
Click here to download:
picasso_1.zip (57 KB)

Comments [0]

intellectueel

In (H)art nr. 56 een interview van Hans Theys met Raoul De Keyser. Interview? Beter te spreken van een poging. RDK is stug en streng. Op zeker moment zegt hij: ‘Ik lees geen teksten over kunst. Vroeger schreef ik zelf van die teksten, maar ik ben ermee gestopt toen ik mijzelf voor de zoveelste keer het woord ‘spanningsveld’ zag gebruiken.’

RDK is een schilder voor schilders omdat hij reflecteert (een woord als spanningsveld) over de manier van werken, het medium verf, het doek, de handeling en het stoppen. In het verlengde hiervan denkt hij na over de taal als instrument, als cliché.

Opvallend hoeveel woord-intellectuelen het over het ‘spanningsveld’ hebben. Sommige woorden zijn besmet geworden, zijn uitgesleten en vals geworden. Ze doen denken aan ‘de internationale solidariteit’, ‘de macht van het proletariaat’, ‘de flexibele mens’, ‘de eenentwintigste eeuw’. Toch hebben we die woorden nog nodig. Het is door het verkeerde gebruik dat de woorden vals worden.

Opvallend hoeveel schrijvers de taalclichés herhalen en herhalen en herhalen. De taal is een uiting van denken. Of van schamelheid.

Comments [0]