Tonnus Oosterhoff smokkelt in zijn gedichten zinnen van anderen binnen. Omdat hij ze zelden als citaat markeert, kan zo’n bewering al te roekeloos zijn. De lezer zou anders kunnen lezen dan wat de dichter zelf bedoeld heeft. Verwijst Oosterhoff in ‘Ware grootte’ naar ‘Interview’ van Hugo Claus als hij in het gedicht ‘Waarom is neuken een pompbeweging, spuitgasten’ schrijft: ‘Willen komen bij waar je naar wijst, / wat is dat voor ambitie? Je vinger achterna?’ Het gedicht van Claus uit ‘Wreed geluk’ (1999) heeft intussen de status van een onvergetelijk vers gekregen: ‘Buiten wijs ik met mijn vinger naar de / maan. / Hij blijft kijken naar mijn vinger.’ ‘Ware grootte’ is de bundel van de menselijke maat. Wat is werkelijkheid? Wat is de mens? Wat weet hij? Wat is afstand?
In het gedicht ‘Als je niet buigt’ is de regel ‘geef mij je handje, kind, ik word een blinde.’ een herinnering aan ‘Het berg-meer’ van Karel van de Woestijne. Er is een verwijzing naar de Bijbel en enkele regels verder naar de ’patafysica: ‘Wie heeft het meetsnoer over de aarde gelegd?’ Er zijn verwijzingen naar ‘Repelsteeltje’, de zaak-Dutroux, de Middeleeuwen, de vorstenspiegel, de steen van Christus.
Nachtelijke onrust.
In ‘Leegte lacht’ is er opnieuw een verwijzing naar een ander onvergetelijk vers van Claus. In het zondebokgedicht ‘Dichters storten zich namens de mensen’ schrijft Oosterhoff ‘Je twaalf lezers, je veertien belachelijke lezers.’ Het gedicht ‘Envoi’ (Alibi, 1985): ‘Ga elders drammen, rijmen van een cent, / elders beven voor twaalf lezers / en een snurkende recensent.’
In de bundel ‘Leegte lacht’ komt het vers-paar ‘alle kinderen verloren / stroomden opeens onderlangs’ drie maal voor. Een eerste keer (2 maal) in ‘laatst viel ik viel’ (p. 20), een tweede maal in het gedicht ‘Opeens kan ik weer goed en veel lezen,’ (p.32). Toch zijn er wijzigingen. De eerste regel begint in het laatste gedicht met ‘en’ en de beide regels staan in cursief. In het eerste gedicht wordt de eerste maal ‘maar’ voor ‘alle kinderen verloren’ geplaatst. Citeert Oosterhoff zijn eigen gedicht en zet hij het daarom cursief? De volgende regel in dit laatste gedicht is ‘Ik onthoud Hölderlin weer, ik leer Russisch.’ Wat een geruststelling — voor de ik-persoon, voor de lezer. Het humorvenijn zit in de staart: ‘Wel vallen veel dingen van de plank / als ik ze terugzet.’
Het woord nachtkrabbel kan ook gelezen worden als een verwijzing naar Hölderlin. Of ook nog: ‘spraak zonder klank, ware kennis.’ (p. 48). In het gedicht ‘nachtkrabbel’ op www.tonnusoosterhoff.nl verschijnt plots de zin ‘deze man weet niet wat hij doet / hij is een engel’. Er is in deze bundel hier en daar ook de Hölderliniaanse spatiëring tussen de woorden.
Claus dichtte over Diotima, Oosterhoff over het verval. De angst voor krankzinnigheid, dementie, Alzheimer, aftakeling, het verstandsverlies. Terwijl er uit deze poëzie een groot wantrouwen spreekt tegen het louter verstandelijke, het beheersen, het vastleggen van de dingen, de woorden, de mensen. Het keurslijf. Toch is dit geen ‘wilde’ poëzie. Er is bedachtzaamheid en een zorgvuldig leven.
Het gedicht ‘laatst viel ik viel’ is verbrokkeld. Er is de fysieke verschijning. Het gedicht is ‘titelloos’ en begint met het onderbrekingsteken —. Daarvan zijn er dertien. Er zijn twee verhaallijnen. Een ik valt door een slechte plank (en ik schrijf ‘palk’), een tweede verhaal gaat over een wij die door de velden trekken. In het slot komen beide lijnen samen. In dit gedicht worden woorden en zinnen herhaald. Het is alsof de dichter aan het improviseren slaat, een jazzmuzikant in zichzelf gekeerd. De dichter laat de taal los en het is de taal die verder speelt (‘het brein schuimt bruin / het varken haalt verhaal’). Toch is de dichter niet het object van de taal. De dichter is een temmer: hij laat de woorden even los maar haalt ze onmiddellijk met een korte zweepslag weer terug. Woorden als vlinders aan een koordje.
Ook de herhalingen zijn pogingen om iets nieuws op het spoor te komen. Oosterhoff geeft de taal vrijheid totdat er een betekenis komt aanschuiven die hij gebruiken kan: ‘bewaar school de onder rug / vroeger was ik een krom jongetje / met de rug tegen de muur’. We kunnen draden leggen. Bijvoorbeeld op p. 20: schol, schollen, ijsschollen, school’.
Hölderlin: sprakeloosheid en vervreemding. Oosterhoff gaat met de taal op zoek naar nuances, door variaties te laten ontstaan. Hij wil betekenissen zien ontstaan. De dichter is een tovenaar, enigszins beduusd. De nacht, het donker, is de tijd waarin de ongeest kan vieren: de teugels van het verstand laten vieren.
Zou het kunnen dat ‘alle kinderen verloren’ verwijst naar de laatste strofe van Hölderlins ‘Friedensfeier’ waar de dichter ‘die Kinder verloren’ schrijft? En met ‘Kinder’ de mensen bedoelt. Als dit waar zou zijn dan verwijst dit gedicht naar de Gouden Tijd, voor de zondeval, voor het bewustzijn. En zitten we nu met de ‘kromme, magere kinderen’. De ik valt door een plank en ziet de ware gezichten van de mensen. ‘op het water dreef een meter / op de golven dobberde een anker’. Met de ‘meter’ herneemt Oosterhoff een beeld uit ‘Ware grootte’ waar het meten een metafoor van het weten was. Dit wordt verbonden met de Orpheusmythe: ‘in mij kwam (op) dat ik afgedaald was om de wereld / de onderwereld af te wentelen // de opdracht […]’.
De laatste strofe: ‘geen planken maar betoverde kinderen, gestraft / omdat ze uit hun kring een hadden laten verdrinken. / ze hadden het gelachen. ze hadden het gedaan. // de betovering brak (het ijs) ?’
Merkwaardig is het woord ‘omdat’: de dichter lijkt ons een verklaring te geven maar de verklaring wordt niet begrepen. Er is een onrust, een onzekerheid, een bijna-bevatten maar net niet. Je kunt omschrijven wat de dichter bedoelt, maar toch is er nog meer betekenis. Het onvatbare leeft tussen ons. De ik viel niet door de planken maar de betoverde kinderen deden hem ‘struikelen’: hij ‘brak niets’ (geen ledematen) ‘maar / [hij] brak niets’ (brak niet de betovering). Het vallen verwijst naar de zondeval, de planken naar de boom van kennis, van goed en kwaad. De kinderen zijn enerzijds mensen uit de jeugd van de mensen, anderzijds de verwordenen (wij). Er is een boven- en een onderwereld. ‘slacht het gordijn’ is het scheuren van de voorwand in de tempel.
We zijn verloren, verloren.