sfcdt’s posterous

 

aagje, ziek in het bedje

Ik dacht nog: Aagje Swinnen heeft die niet een aantal jaar geleden een nogal licht boek gepubliceerd? Jawel, ‘Het slot ontvlucht: de ‘vrouwelijke’ Bildungsroman in de Nederlandse literatuur’.

Voor het behalen van haar doctoraat, stelde Aagje Swinnen een theorietje op en zocht daarbij een aantal vrouwenromans bij elkaar. Ze schreef een samenvatting en bewees zo haar, euh, idee?. Een doctoraat halen aan de universiteit van Gent is niet zo moeilijk.

Ze deelt de ‘vrouwelijke’ Bildungsroman in, in vier subdivisies. De eerste is de groei naar huisvrouw, prototype is hier ‘Sara Burgerhart’. De tweede is de verinnerlijking, voorbeeld is hier ‘Dood van een non’ van Maria Rosseels. De derde is de kunstenaarsroman. Swinnen behandelt dit in haar meest bijzondere hoofdstuk: de chaos, de onduidelijkheden en de verwarring zijn hier troef. ‘De wetten’ van Connie Palmen staat nu centraal. En tenslotte, in nummer vier, wordt de leeftijd een onderscheidende factor. Monika Van Paemel wordt een ‘fervente verschildenkster’ genoemd.

Haar inleiding is verward en chaotisch. Ze haalt allerlei boeken aan maar nergens heeft de lezer de indruk dat dit nu verwerkt wordt tot een eigen inzicht. Elk boek is een draad, alle boeken samen vormen een kluwen, geen sjaal. Toch tracht de auteur hier en daar een feministische toets (als bindend element) aan haar werk te geven maar dit verslechtert haar werk nog - tenminste als men verwacht dat een doctoraat ook een wetenschappelijk werk is. De schrijfster ontbeert sociologische, historische en filosofische basiskennis. Haar bespreking van het werk van Betje Wolff en Aagje Deken is hiervoor symptomatisch. Ze kan wel menen dat dit werk burgerlijk is en slechts een zwakke vorm van ‘vrouwelijke’ Bildungsroman (de schrijfster zet ‘vrouwelijke’ zélf tussen aanhalingstekens –begrijpe wie kan) maar weet niet dat de burgerlijkheid van de achttiende eeuw een revolutionaire kracht was. Soit. Even erg is dat ze meent dat er nog zoveel ‘vrouwelijke’ meesterwerken zijn die door de mannelijke (!) canon veronachtzaamd zijn maar zelf doet ze geen enkele moeite die meesterwerken op te sporen. Integendeel, ze promoveert een aantal tweede- en derderangschrijvers tot ‘interessant’ werkmateriaal. Quod non. Er is in haar studie ook een interne contradictie. Ze bouwt een classificatiemodel op én ze wil zich in het postmodernistische discours voegen. Maar dat kan niet. Je kunt niet tegelijkertijd beweren dat het vastleggen van grenzen, van modellen mannelijk is en tegelijkertijd een ideologisch stuk afleveren dat zich tegen dat mannelijke verzet.

Aagje Swinnen werkt nu aan de Universiteit van Maastricht en lees hieronder wat ze over zichzelf vertelt. Dit alles in de nieuwe stijl: gewolkt, genietst, gelucht.

De tweede alinea: ‘ik bewonder, ik ben blij, ik voel, in het bijzonder als voedingsbodem gefungeerd voor de uitbouw van mijn identiteit als onderzoeker’, enz.

Dit is holle retoriek. Lees ook de zin: ‘Het welzijn van senioren is mijns inziens rechtstreeks verbonden met ons totnogtoe ontoereikende vermogen om veelzijdige betekenismodellen voor ouderdom en veroudering te verbeelden, die de eendimensionale concepten ‘verval’ versus ‘wijsheid’ kunnen bijstellen.’

Lees dit nogmaals.

En lees ook het slot. (Was het maar mogelijk.) Wij ontvluchten ondertussen.

“In mijn Veni-onderzoek, getiteld ‘The Study of the Literary Imagination of Reminiscence in the Reifungs- and Vollendungsroman from a Genre and Gender Perspective’ probeer ik een dialoog tot stand te brengen tussen de inzichten van de narratieve gerontologie (de tak van de gerontologie die zich concentreert op de formulering van het individuele levensverhaal) en die van de narratologie (de literatuurwetenschappelijke vertel- en verhaaltheorie) aan de hand van het genre van het ontwikkelingsverhaal van de senior. Momenteel wordt het onderzoek uitgebreid naar de representatie van ouderdom en veroudering binnen andere - niet louter realistische - genres, toegespitst op een verzameling Europese teksten. Twee oude vrouwtjes van Toon Tellegen vormt één specifieke casestudie. Over de impact van de vergrijzing wordt vaak uitsluitend gesproken in termen van economische meerkost ten gevolge van medische vooruitgang. Ik wil vanuit een cultuurwetenschappelijk perspectief alternatieve betekenismodellen onderzoeken voor ouderdom en veroudering in beeld en tekst. De achterliggende overtuiging is dat artistieke productie de ontwikkeling van nieuwe werelden kan faciliteren.

Bij de Universiteit Maastricht ben ik terechtgekomen via prof. dr. Maaike Meijer. Zij zat in de leescommissie van mijn proefschrift dat ik verdedigde aan de Universiteit Gent. Ik bewonder professor Meijer om de wetenschapper en persoon die zij is en ben blij dat ik een plaats gevonden heb binnen het onderzoeksteam van het Centrum voor Gender en Diversiteit. Als onderzoeker voel ik me vooral geïnspireerd door de onderdompeling in andere nationale onderzoeksculturen. Mijn studieverblijven aan diverse Zweedse universiteiten hebben in het bijzonder als voedingsbodem gefungeerd voor de uitbouw van mijn identiteit als onderzoeker. Ook de deelname aan internationale conferenties in mijn studiegebied zijn vruchtbaar, omdat ze mijn overtuiging sterken dat onderzoek de vinger aan de pols moet houden van de moderne samenlevingsproblematiek – een voor literatuurwetenschappers controversiële stelling. Het welzijn van senioren is mijns inziens rechtstreeks verbonden met ons totnogtoe ontoereikende vermogen om veelzijdige betekenismodellen voor ouderdom en veroudering te verbeelden, die de eendimensionale concepten ‘verval’ versus ‘wijsheid’ kunnen bijstellen. Tot slot laat ik me leiden door cultuurproducten die me op de ene of de andere manier bijzonder weten te raken. Lezen beschouw ik als een groot plezier en de ultieme verrijking van mijn geesteswereld.”

Comments [0]

dirty mind-journalistiek

Een doordeweeks artikel krijgt soms een groter belang. Het maakt duidelijk wat de tijd betekent, het overstijgt dan het eigen onderwerp. Dit weekend in DS een artikel ‘Seks met rimpels’. Ja, waarom niet, zelfs in crisistijden moet er naast reclame tekst staan. Het is al meer dan dertig jaar dat ik hoor en lees over dit onderwerp. België heeft zich bevrijd van de kerktoren (nog niet van de volkshuizen) en nog is het een probleem. Of toch niet. Het artikel van Isa Van Dorsselaer draait en keert en toont hoe deze wereld veranderd is.

De journaliste begint met een constatering: wie ouder dan 50 is, is geen rolmodel meer. En direct is de conclusie duidelijk: ‘De boodschap is duidelijk: alleen mooie, jonge mensen met een glad en strak lichaam hebben seks.’ De boodschap is echter niet duidelijk want dit is geen logisch gevolg van de eerste constatering. Dit is dirty mind-journalistiek. De journaliste doet alsof men seks (privésfeer) maar kan hebben als men zich in de buitenwereld kan manifesteren. Dat beide domeinen best van elkaar gescheiden kunnen zijn, wordt zelfs niet meer als een premisse aangenomen. De boodschap is immers duidelijk.

De zoveelste onderzoeker, nu is het Aagje Swinnen, stelt dat er een probleem is: ouderen en seks worden niet op een natuurlijke wijze met elkaar verbonden. (Overigens is het treffend hoe sommige mensonderzoekers als een trekdier dezelfde tredmolen blijven bestampen. In sommige takken van de wetenschap is er géén vooruitgang, enkel een herkauwen.)Maar zegt ze, dat is niet de realiteit: zeventigers hebben gemiddeld drie- tot viermaal per maand seks. Deze gegevens haalt men uit enquêtes –ook een zeer wetenschappelijk instrument. 99 procent van de zeventigers verlangt naar seks en 75 % vindt de seks beter of minstens gelijk als toen men jong was. Enquêtegegevens.

Dat is volgens onderzoekster Aagje Swinnen de realiteit.

Maar ze maakt zich zorgen over de beeldvorming: ‘dat oma met een vibrator aan de slag gaat, doet jongeren huiveren’, zegt ze. Misschien is het ook omgekeerd: dat vibrators met jongeren aan de haal gaan, zou misschien een grotere zorg waard zijn.

Er komt een tweede vrouw in zicht. Caro Debruyn zegt dat oudere vrouwen verkeerd gezien worden. De maatschappij verwacht dat ‘Op zo’n respectabele leeftijd de driften toch bedwongen zijn?’ –en volgens haar –oh, het intellectueel en moreel niveau van dit soort romantisch feminisme- is dit toch bijzonder min. Een oude vrouw mag, ja moet haar driften hebben. Zelfbeheersing? Wat een dwaas idee! Passie! Drama! Gescheurde kleren! Tanden in het vlees!

Het beeld dat men heeft van de ouderen is echter schadelijk want ze gedragen zich daarnaar. Als ouderen om hun seksualiteit uitgelachen worden, zullen ze niet al lachend aan seksualiteit doen maar misschien wel helemaal niet, zeggen de journaliste en de wetenschapsters. Waarmee ze hun eigen bevindingen tegenspreken: er was immers geen probleem met seksualiteit. Of misschien zijn hun bevindingen wel onjuist want veel te algemeen. Of is het niet zo dat men geen rekening houdt met biologische en fysiologische kenmerken van het mensdier?

Swinnen wil –notabene als ‘wetenschapster’- dat de beeldvorming veranderd wordt omdat de huidige beelden ons tonen wat door anderen verwacht wordt. Swinnen past dit echter niet toe op haar eigen onderzoek. Het is de bedoeling van de consumptiemaatschappij om te schijnen, te doen alsof iedereen tot op haar sterfbed seksueel actief is. Swinnen zal daar als wetenschapster voor zorgen.

In het artikel komt nog een derde vrouw op het toneel, Els Messelis. Zij zegt dat er een probleem is en ook geen probleem is. ‘Ze doen het veel en graag, en zoeken gretig naar informatie op het internet en in boeken en tijdschriften.’ De markt van de ‘zelfhulpboeken’ is ook voor hen groeiende. Ha, als er zoveel gezocht wordt, als er zoveel zelfhulpboeken zijn, dan lijkt er toch wel een probleem te zijn. En dan is het misschien omgekeerd: de wetenschap praat de ouderen een probleem aan.

Maar genoeg nu!

We zien hier een verschuiving van een interne naar een externe moraal. Het is de buitenwereld die bepaalt hoe men zich gedragen moet. De normen worden niet individueel opgebouwd. Dertig jaar geleden zei men dat een interne moraal een hoogstaandere moraal was omdat ze de mens zelfstandiger liet zijn. Een externe moraal doet mensen alleen maar leven in het oog van de anderen.

Dat het niemand iets kan schelen of en hoe Lucien en Irma seks hebben, dat dit een zaak van hen beiden is – misschien ook van hun huisdokter en een specialist- , is geen evident inzicht meer. Dat ze zelfs gelukkig kunnen zijn zonder seks, is voor deze ‘wetenschapsters’ een gruwelijk idee. Iedereen moet namelijk aan dezelfde norm beantwoorden: men moet driftig en bronstig zijn. Zo leeft men zoals de reclame dat wil: iedereen even dom, iedereen even cultuurloos. Dat wetenschapsters (sic) zich gedragen als een onnozel wicht, is een bevestiging van dit mensbeeld.

In een cultuur die bol staat van extraversie, exhibitionisme, teugelloos driftleven, anti-wetenschappelijkheid en simpele domheid, is een boekcultuur niet mogelijk.

Comments [1]

7 december 2009

Comments [1]

uithuismededeling: beurs van kleine uitgevers

Zondag 6 december, van 13.00 tot 17.00 uur in Paradiso: de 32ste Beurs van kleine uitgevers. Uit België: Demian, Het gonst, Gaga, Voetnoot, S & S Publishers, Druksel, Ergo Pers en Revolver die tot het bittere eind zijn schrijvers verdedigt. Uit het buitenland: Sfcdt.

Dit jaar wordt u niet langer opgeschrikt door de oerwoudgeluiden van Simon Vinkenoog.

De beurs in Paradiso is niet zozeer een beurs voor ‘bibliofielen’ maar zoals de naam het zegt: een beurs van kleine uitgevers. De boeken die deze uitgevers maken verschillen niet zozeer van de reguliere uitgaven door de vormgeving maar door hun inhoud. Het zijn soms –niet altijd- boeken die op minder belangstelling kunnen rekenen en daarom in de marge terechtkomen. Te moeilijk soms, soms te lokaal, soms te frivool, dan weer te ernstig. Toch steeds: de vreugde van het boek.

Zo brengt Brumes Blondes de gedichten van Laurens van Krevelen. Reservaat was vorig jaar op de beurs met een selectie brieven van Willem Brakman. Vandaag is er een uitgave met columns van Gerrit Krol. Stichting De Roos toont het ‘Vertaliaans Liedboek’ van het vertalersduo Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet. De Papieren Tijger publiceert een boek over Max Stirner, de man die zelfs Nietzsche kon onderfilosoferen. Er is een nieuw project: Schröder & Fokker. En boeken waarvan je niet wist dat ze konden bestaan.

Bij Berichten van boeken en dingen (http://www.boekendingen.nl/wp-nieuws/?p=4017 ) kan de beurskrant gelezen worden.

Comments [0]

boekcultuur

Als we Neil Postman mogen geloven dan is het verdacht als een maatschappij veel aandacht aan een fenomeen geeft. Het betekent dat het op verdwijnen staat.

De boekenliefhebber –en dan niet de liefhebber van alleen maar al dan niet vulgaire prentjes- heeft veel te bekijken. Op de Rogier van der Weyden-tentoonstelling liggen enkele prachtexemplaren. In Nijmegen is het getijdenboek van Katherina van Kleef te zien. In Gent is er een interessante en verantwoorde tentoonstelling over Chinese avant-gardeboeken: een mens gelooft zijn ogen niet. In Angers is er de tentoonstelling ‘Splendeur de l’enluminure: le roi René et ses livres.’ In de Bibliotheca Philosophica Hermetica in Amsterdam is er ‘Sleutels tot licht’, een verzameling getijdenboeken. In het Meermanno-museum met de weliswaar nu andere naam is er ‘Boekenwijsheid’ te zien.

En boekcultuur wat is dat dan? Snel vervalt men in metafysica. Veel gebruikt men kenmerken die perfect van toepassing zijn op andere fenomenen (de verbeelding prikkelen, bijvoorbeeld). Een definitie kan niet zomaar gegeven worden maar het gaat wel om een samenspel tussen verschillende elementen en om een samenhang tussen materie en denken/voelen. De elementen kunnen niet losgekoppeld worden (niet: nr. 7 is 10 % boekcultuur). Een kleine poging. In willekeurige volgorde.

-          Men leidt een teruggetrokken leven. Podiumpoëzie heeft niets met boekcultuur te maken. Als een politicus een boek schrijft (of leest), ziet men de valsheid: tang en varken.

-          Men denkt na: over het gelezene, wat er niet staat, over de relatie met de wereld, over zichzelf. Helaas ook over sommigen.

-          Men bewaart de dingen: een bibliotheek behoort tot de boekcultuur. Kan ook te ver gaan. Parafernalia en prullaria tot boekcultuur promoveren. Het gevaar vrouw.

-          Men heeft een filologische ingesteldheid: is dit juist? Staat dit er wel? Het had er beter gestaan.

-          Men beheerst hand en oog. Men beheerst.

-          Men leeft (of leest) in afzondering.

-          De stilte.

-          Empathie: het boek en ik. Geen tussenpersoon.

-          Een criticus is een leidsman. Hij heeft meer gelezen, hij is intelligenter. Niet: hij heeft veel vrienden.

-          Empathie: het zich eigen maken van teksten. Men verrijkt zichzelf, men voegt toe. Aan zichzelf en aan zijn boekenkast. Men kan in herhaling vallen: men leest opnieuw en anders.

-          Het ik: verantwoordelijk voor het eigen lezen en handelen. Het ik handelt, niet de groep.

-          Het overdenken. Ja, het mijmeren. Een seculier brevieren.

-          Een respect voor het andere (de legitimiteit van het andere) of een verdieping van het eigene, het gekende. Het ik als een vreemde zien, en omgekeerd.

-          Continuïteitsdenken: het lezen gebeurt nu, van wat vroeger geschreven/gebeurd is en het dient om een beter leven op te bouwen (de argumenten kunnen zowel negatief als positief zijn) : oh nee, nooit Madame Bovary / oh ja, was het maar Isabelle Huppert.

-          Er is in de geschiedenis geen breuk: wat vergeten is, kan morgen (her)ontdekt worden.

-          Het boek als bezit: de zekerheid naar de tekst (dus de waarheid) te kunnen terugkeren.

-          De tekst, het woord als waarheidsrechter: zo was het, zo is het geschreven, zo is het waar. Ook als het niet waar is, is het geschreven en dan nog was het zo.

-          De fantasie, de leugen, het onmogelijke als werkelijkheidsmogelijkheid. Er is een andere wereld mogelijk.

-          Het privé-lezen: het individu vormt zichzelf in afzondering. In de massa kan er niet gelezen worden. Wel gezongen. Laarzen. Mode. Gevaarlijk.

-          Er is een directe en voortdurende interactie tussen het concrete (anekdotische) en het abstracte (het algemeen-menselijke, het algemeen-geldende).

-          Er is een overgang van het fysieke (het boek) naar het intellectuele. De kennis ligt in het ding zelf. Moeilijk te begrijpen.

-          Een tekst is nooit alleen maar tekst maar verwijst naar de wereld (de voorbije, de komende). Of een andere wereld. Een boek slorpt niet op, er blijft afstand: de letter, het ding. Niet altijd waar.

-          Nadruk op kennis: lezen om te leren. Kennis is niet vrijblijvend maar toepasbaar. Kennis is met ethiek verbonden.

-          Geert Grote zei: niet het boek behoort u toe, maar u behoort het boek toe.

-          Het boek is transgenerationeel. Jij niet, stervende.

Comments [1]

à la pablo

Comments [1]

willy roggeman (3)

In ‘Practicum, of Het steriele schrijven’ vermeldt Willy Roggeman Adorno een aantal maal. Adorno is een filosoof die onze toestand ‘gezien’ heeft. Zijn centrale stelling is dat de Westerse mens gevangen zit in zijn cultuur en dat er geen uitweg meer is. Het ‘anders-denken’ is verdwenen, er zijn geen alternatieven meer, het vrijheidsdenken is vermorzeld, de kunstuitingen zijn niet langer getuigen van diverse vormen.

Het denken van Adorno heeft veel weerstand opgeroepen. Enerzijds was hij een kind van de vroege twintigste eeuw, anderzijds waren zijn verzuchtingen die van de naoorlogse jeugd. Het cynisme van de geschiedenis: hij, de grote verdediger van de vrijheid van denken en handelen, is feitelijk vermoord door de 68-studentengeneratie. Hij vroeg namelijk dat men nadacht.

Naast Roggeman is in de Nederlandse literatuur ook Willem Brakman een groot Adorno-lezer. Een vergelijkende studie tussen beiden zou een mooi onderwerp kunnen zijn.

Roggeman neemt een afwijzende houding aan tegenover Adorno. Brakman heeft hem intens bestudeerd, zijn ideeën verwerkt en zijn voordeel er mee gedaan.

Willy Roggeman, zelf uitmuntend jazz-kenner en muzikant (zegt men mij), kan moeilijk om Adorno heen omdat deze laatste de jazz veroordeeld heeft. Tegenover (moderne) klassieke muziek is dit maar cafégejengel.

Roggeman schrijft bijvoorbeeld: ‘Adorno gebruikt en misbruikt kunstwerken om te kunnen filosoferen, om door chantage filosofie te verrechtvaardigen.’ Over ‘Minima moralia’: ‘[…]; precies door het feit dat het boek niets anders is dan ragfijne nuancering ontstaat een totaalbeeld zonder reliëf, zonder contrastering. […] Behekst door zijn idiosyncrasieën, geremd door zijn frustraties van geniale wonderknaap van goede komaf en zeker getekend door de oogkleppen van het highbrowmilieu waarin hij zich in de States had te bewegen, ontketent de filosoof zijn subversieve denkactiviteiten tegen een maatschappij die hem vreemd is en waaraan hij vooral vreemd wil blijven.’

Roggeman herleidt op verschillende plaatsen in het boek Adorno tot zijn afkomst: een rijkeluiszoontje dat ontevreden is en (ook) daarom bepaalde cultuurvormen niet kan smaken. Ook in bovenstaand citaat reduceert hij Adorno tot een aantal oppervlakkigheden. Verontrustend is dat zelfs iemand als Roggeman psychologiseert om een denken weer te geven. Dat Adorno (volgens Roggeman ‘de verwende, in de watten gelegde Teddie’) de Amerikaanse maatschappij niet heeft willen aanvaarden, is juist én een wilsdaad. Dit kan niet tegen Adorno gebruikt worden: dit is namelijk de inhoud van zijn denken.

Roggeman verwijt Adorno dat hij in zijn werk aan de figuur van Jean-Jacques Rousseau voorbij is gegaan. Maar dit is een negatief argument: het duidt juist de intelligentie van Adorno aan dat hij Rousseau niet nodig had.

(In ‘Practicum’ is geen index opgenomen. Daarom hier –met de mogelijkheid van onvolledigheid. Adorno: 18, 20, 25, 47, 53, 109, 147, 239.)

Willem Brakman daarentegen is een lezer van het werk van Adorno geweest. Hij heeft de essentie (de beweeglijke reflectie) overgenomen en die in zijn eigen oeuvre toegepast. Bij Brakman is er geen sprake van chantage of een bourgeoisleven, bij hem gaat het om de tekst zelf. En hij schaart zich aan de levenskant van Adorno. Met instemming schrijft Brakman: ‘Zo weigerde Adorno het hand in hand door stegen rennen aan te zien voor solidariteit en de loop der geschiedenis.’

Belangrijker is dat Brakman de filosofie van Adorno gebruikt heeft om zijn eigen oeuvre op te bouwen en er een zin aan te geven. Hij doet dat niet door slaafs de filosofie na te volgen maar door de denkmethode –het tegelijkertijd zien en denken- over te nemen en daarmee varianten op te bouwen.

Brakman typeert het denken van Adorno als een nee-denken. ‘Alle schrijven dat die naam verdient is betrokken op waarheid, ligt in de richting daarvan, maar daar het totaal der werkelijkheid niet binnen het denken valt, zijn ware uitspraken onmogelijk. Dat is de kern van de Negatieve Dialectiek. […] Kunst is op waarheid betrokken, centraal in haar is daarom het nee.’

Brakman is Adorno-kenner. Schrijver-denker. Fantast-waarheidzoeker.

Comments [0]

willy roggeman (2)

Kafka, Valéry, Adorno, Bach, Proust, Musil, Alain, ter Braak, Dostojevski, Barthes, Carl Einstein, Nietzsche, Gide, Freud, Beckett en Benn. Hij klaagt over zijn lichaam. In sommige stukken van het ‘Practicum’ beschrijft hij hoe ‘het’ niet meer gaat maar nergens ervaar je in de schriftuur zelf de fysieke moeilijkheden van het schrijven. ‘Practicum, of Het steriele schrijven’ van Willy Roggeman is iets eigenaardigs. Het is uiteindelijk een boek geworden maar de schrijver zelf schrijft dat hij geen boek wil. ‘Het (practicum] behoedt mij voor het schijven van boeken. Nauwkeuriger: het schakelt een aantal miskramen uit.’ Of: ‘Ik besef nu dat er vele manieren zijn om aan het maken van een boek te ontsnappen, tot nog toe heb ik mij met de gemakkelijkste van plan getrokken. De fameuste bestaat erin voortdurend over het te schrijven boek na te denken, […].’ Of: ‘Nu wil ik weer op de andere manier schrijven, analoog met die van het boeken maken, maar in dit geval gericht op het niet gedaan maken van een tekst zodat hij eigenlijk nooit boek wordt.’

Maar toch, als hij X aantal bladzijden heeft, wil hij het manuscript inbinden. Er een afgerond geheel van maken. Dus wel een boek. Nee, zegt Roggeman, dit is ook geen ‘journaal’. Nee, er is geen inhoud, geen anekdotiek, geen persoonlijkheid maar wel ‘bevestigt het denkmogelijkheden in taal. Stricto sensu bevestigt het alleen tekst.’

Toch gaat het boek over iets, zijn er onderwerpen en muziekjes. Roggeman neemt zelfs zichzelf als onderwerp. Soms objectiveert hij (‘je’, ‘hij’). Soms vermomt hij zich al te doorzichtig als bijvoorbeeld Boris Dagoelash. Maar hoe dan ook, steeds is de schrijver aanwezig. We lezen Roggeman om zijn worstelingen met andere denksystemen.

Soms is hij ook grappig. Hij heeft het over de ‘Cahiers’ van Gide en hoe die in de Pléiade-uitgave slecht geredigeerd zijn. Hij schrijft: ‘Nogmaals een bewijs van de gevaren die opduiken zodra filologen menen het beter te kunnen doen.’ Het archief van Roggeman wordt beheerd aan de universiteit van Gent.

Hij bepaalt zichzelf, hij maakt een standpunt tegenover andere schrijvers (zie hierboven). Hij nuanceert of nuanceert niet. In sommige stukken lees je tenenkrullende Nietzsche-idolatrie, in andere haalt hij Nietzsche terecht naar beneden.

Roggeman ‘behoort’ tot een romantische avant-garde die het hamerdenken verwart met denken. Men moet straf zijn. Het gaat hem niet om waarheid, maar om de kracht van de tekst. Zo schrijft hij over Ortega y Gasset: ‘Zijn essays, vrij van systeemdwang en zelden pedant, missen die trekken van onontkoombaarheid, van onweerlegbaarheid die de groten ook nog hebben wanneer hun uiteenzettingen fout zijn of hun speculaties door de wetenschappelijke navorsing achterhaald. Een van de goedkope kwaliteiten van een tekst is dat de schrijver ‘gelijk heeft’, een van de grote charmes is dat de tekst nog fascineert wanneer hij naar ‘inhoud’ verkeerd is.’

Het is alsof het er allemaal niet om doet: schrijf, maar schrijf subliem. Dit is het moment waar de literatuur op een dood spoor gekomen is. De ontkoppeling van waarheid en tekst heeft geleid tot een vrijblijvendheid –zowel bij de publieksschrijvers als bij de literatuurschrijvers. De ene te weinig tekst, de ander te veel wolken. Is het dan ook te verwonderen dat de literatuurwetenschap zelf geen wetenschap meer is maar een plek waar iedereen om het even wat mag debiteren en waar de onnozelste ganzen de meeste navolgers kennen? Schrijvers als William Marx, Tzvetan Todorov, Milan Kundera, Alvin Kernan of Jacques Bouveresse herhalen steeds weer: de mot zit in de literatuur zelf. Tegelijkertijd weten we dat het standpunt van Roggeman géén onnozelheid is.

Bij Roggeman heeft dit ook te maken met zijn eenzijdige visie op de filosofie. Hij schrijft: ‘Het filosofisch denken is in die zin kinderlijk en eigenzinnig dat het zichzelf de enige vorm van rechtvaardige continuïteit weigert: de controleerbaarheid en verifieerbaarheid van de gedane proposities.’ Hier wordt filosofie verengd tot het Leuvense stoofdenken.

Er zijn echter ook analyses die je vol bewondering leest. Zo bijvoorbeeld schrijft hij over het falen van de Verlichting: ‘Omdat zij in wezen een uitzonderlijk hoog ethisch besef vooropstelde waarvan de universalisering antropologisch onmogelijk was. Namelijk het besef dat de mens inzicht en waarheid uit vrije wil nastreeft in de optiek van het geluk.’ En verder stelt hij: ‘Moraal is steeds een zaak van het individu.’

Er zijn ook zinnen die een wereld neerzetten. Over zijn studeerkamer: ‘Het is duidelijk geen kamer voor mensen, wel voor dingen en voor één mens die met die dingen leeft.’ Dus wel: boekcultuur.

Comments [0]

willy roggeman (1)

‘Lijn, de meest etherische concretisering van de idee in beweging.’ (Practicum, of Het steriele schrijven, het balanseer, 2009)

Comments [0]

verschuiven

Het probleem van publieke ruimte en privé-wereld heeft te maken met een verschuiving van de dominantie van staat naar commerciële wereld. De staat –maar in feite is dit het republikeinse denken- verzwakt en een aantal zaken worden door de andere wereld overgenomen. Bedrijven en privé-personen doen aan caritas. De zorg voor het milieu, voor rechtvaardige arbeidsomstandigheden is niet langer een zaak van de overheid maar wordt (ook) gestuurd door de wereld waar het geld verdienen de norm is. Sommige bedrijven steunen op hun goed imago: koop bij ons want wij doen iets voor derden. Moraal wordt gebonden aan consumptie.

De zorg voor het publieke domein is niet langer voorbehouden voor de overheid. In deze context moet het project Google Books gezien worden. De overheid is niet in staat om zorg te dragen voor de kennis, het onderwijs, de opvoeding, het erfgoed (het is de desintegratie van de staatsstructuren) maar dat betekent niet dat de maatschappij vervalt, verwordt tot immoraliteit. De moraal, het denken en structureren wordt voor een deel overgenomen door de commerciële wereld. Omdat de staat vervallen is, gaan de knapste hoofden daar niet gaan werken en de intelligentie is dus te vinden aan de andere zijde van de maatschappij. En deze hoofden zijn niet gespeend van enige moraal. Men beschouwt zichzelf nu als burger (in de kantiaanse wereld van het woord) binnen een economische wereld en niet langer als burger binnen een politieke omgeving. Ook al neemt de politiek beslissingen, deze beslissingen zijn gestuurd.

We kunnen wat Google Books betreft, wachten op de overheid. Dat is een verloren zaak. Lees de kranten en zie de leugen, de arrogantie en de verwaandheid.

We kunnen deze verschuiving ook aanvaarden maar wél de normen uit de publieke wereld opleggen aan een zo omvattend project. Dat wil zeggen dat we de verschuiving aanvaarden maar een evenwicht moeten zoeken waardoor er garanties zijn dat de zaak van algemeen belang niet in privé-handen valt. Het is het zoeken naar dat evenwicht, dat niet gebeurd is met Google Books. Men is verkocht.

M.a.w. de politiek was een emanatie van de burgergemeenschap. Op dat niveau werd een ideeën- en belangenstrijd gevoerd. Het resultaat van een rationeel dispuut werd een wet waarbij een democratische meerderheid een beslissing kon nemen, met inachtneming van het minderheidstandpunt. De burgergemeenschap moet nu andere fora zoeken om de ideeënstrijd te kunnen voeren. Het gaat niet alleen om een plek maar ook om methodes en manieren om beslissingsmomenten zichtbaar te maken.

Het boek is verbonden met de oude manier van denken en spreken. Het beeld is daarvoor in de plaats gekomen.

Comments [0]