Jaap Meijer werkte onder zijn eigen naam, zijn uitgeverij had geen naam. Zijn boeken zijn vandaag de dag bijzonder hoog geprijsd en daarvoor is eigenlijk geen reden. Bibliofiel zijn ze zeker en wel maar de smaak is niet echt fijnzinnig te noemen, het drukwerk is verzorgd maar nogal banaal. Het is natuurlijk klassiek maar er zit weinig eigentijdsheid in. Er is geen verrassing, geen spirit, geen intelligentie.
In 1978 verscheen bij Jaap Meijer de tekst "Typograaf" van Willem Brakman. De oplage was vijftig met de hand genummerde exemplaren. De letter was een Baskerville en het papier Zerkall-Bütten, de geelachtige variant. 24 bladzijden, waarvan er nogal wat na het colofon komen. 16 cm breed, 26 hoog. Het boek bevat een gedrukte stofomslag, op de omslag werd een kartonstrook gekleefd met auteursnaam en titelvermelding.
De titelpagina is nogal gewoon. Cursief gebruiken voor de titel is een zwaktebod. Waar normaal de uitgeversnaam staat, staan nu plaats van uitgave en datum, toch secundaire gegevens maar die door de typografie naar hetzelfde niveau als auteur en titel geheven worden. De tekst staat niet in verhouding tot het papierformaat. Sommige bladen zijn afgesneden, andere zijn rafelig. Het rafelige versterkt bij sommige het sentimenteel gevoel van bibliofilie. In het colofon worden geen bibliografische gegevens over de herkomst van de tekst gemeld. Op een aantal plaatsen is de inkt eerder grijs dan zwart.
Dezelfde tekst verscheen hetzelfde jaar in de reguliere uitgave "Zes subtiele verhalen" (Querido). De uitgever (of de auteur) schreef op de achterflap: "In 'Typograaf' wordt een overigens onsubtiel familielid op zo subtiele wijze in zijn hemd gezet, dat het hem paradoxaal genoeg niet raakt." De typograaf is de oom die zichzelf zo noemde en aldus in de "Eerste Wereldoorlog" direct op de onderofficiersopleiding geplaatst werd "daar niemand zo gauw wist wat precies een typograaf was."
Deze tekst behoort al duidelijk bij de '"tweede Brakman", de cadans is herkenbaar, de fermheid lees je in de zinnen, de uitspraken zijn categorisch en zelfverzekerd, de analytische geest gaat niets uit de weg, de opsommingen maken alles nog erger en er is dus een verheviging van de waarheid. De uitdrukkingen "kloppen niet" en zijn daarom des te duidelijker: "[ ] waar hij zwaar lachte, hard sprak en mij deed volstromen met pleinen, trappen, chambrees en een bonkend heimwee naar die vriendelijke soldaten."
Als een Willem Elsschot geeft Brakman inzicht in zijn stijl: "Mijn oom ging voor mij uit, een veilig gevoel. Het is niet nodig hem voor te stellen met sabel, laarzen en koppel, dat voegt niks toe. Wat wel toevoegt zijn de sterke, brede, licht bollende, altijd schone nagels, zijn bij het "strootjes" draaien sterk vergeestelijkte vingertoppen en zijn rode op de jukbeenderen paars dooraderde wangen." Brakman schrijft over een tijd toen het militaire en het vrouwelijke nog 1 waren.
Het loopt slecht af met die oom: het verhaal beschrijft de ontluistering van een man. Daarvoor moet Brakman de werkelijkheid naar zijn hand zetten en dat kon hij als geen ander- , de wereld met zijn woorden betoveren en ook dat kon hij- en het tijdsverloop bombarderen wat hij bijzonder graag deed.
De titel "Een zonnig toneelstuk" laat vermoeden dat het om een zomers blijspel zal gaan, de alternatieve titel luidt echter "of, Als ik terugdenk aan de oorlog". Het verhaal, want het is geen toneeltekst, begint op 10 mei 1940. Wim Brakman en zijn broer horen een ongekend lawaai. Door het raam zien ze gevechtsvliegtuigen. Die hete meidagen zijn het onderwerp van dit boek. Op de eerste bladzijde al hebben we een omgekeerde reactie dan die Hugo Claus had bij het begin van de oorlog. Claus was gefascineerd door de discipline, de wilskracht, de schone gelaatstrekken van de Duitse soldaten, dit i.t.t. de lamzakkerige Belgen. Brakman heeft een andere ervaring gehad: "Er liepen overal Hollandse soldaten. Het was ook ongekend heet en omdat het anders zo schrijnde, hadden zij hun zakdoek tussen nek en kraag geduwd. Daardoor hadden wij het idee dat ze allemaal gewond waren. Voor de oorlog zag je ook wel eens soldaten, maar die liepen er allemaal tot in de puntjes verzorgd bij. Nu sleepten ze hun geweer achter zich aan met de helm achter op hun hoofd. Wij vonden dat schitterend." Natuurlijk is de jongen Brakman ook gefascineerd door het Duits oorlogstuig maar niet in dezelfde mate en om dezelfde redenen als Claus.
Als dan bij de capitulatie van Nederland, Duitsers door Nederland trekken, komt er dan toch ontzag en anderzijds wordt dit ook weer te niet gedaan door de schaamte voor de eigen onbenulligheid.
En weer, al op de 2de bladzijde lees je een kerngedachte van Brakman: "De mens heeft voor zijn beleving drie dingen nodig: hij moet ernaar toeleven, het beleven en erop terugkijken." In deze zin zijn verleden, heden en toekomst onlosmakelijk met elkaar verbonden door het bewustzijn, door gevoeligheid, door intelligentie. Wat Brakman bij het terugblikken fascineert is zijn gevoel van onwerkelijkheid: is dit allemaal gebeurd? Alle gebeurtenissen waren dusdanig vreemd dat ze niet te bevatten of te verwerken waren.
Een herinnering wordt een reflectie over de tijd. Een tweede motief in deze tekst is de schaamte. Die is ontstaan door het besef dat het leven afhangt van toevalligheden, trivialiteiten. De spanning tussen de waarde van het leven en de onnozelheid van een anekdote is bijna onverdraaglijk. "In de hele werkelijkheid moet de reden liggen waarom je bestaat. Als het van een toevalligheid afhangt, is dat vernederend."
Brakman besluit het stuk met een reflectie over het schrijverschap: een deontologie geschetst aan de hand van een subtiele anekdote. Een schrijver moet niet alles beleefd hebben om er over te schrijven, maar over Auschwitz wel, daarover moet men zwijgen.
Het boek is klassiek vormgegeven. Het meet 17 cm breed en 24,5 hoog. De tekst krijgt door de vorm een klassieke allure. De binnenzijde van het omslag fungeert ook als een schutblad. Een bijna onaardse schoonheid.
Het werd hier al eerder gezegd. Track is alweer een sociaal-artistiek, toeristisch, geldgenererend en opslorpend evenement. Het heeft niets met kunst te maken, daarom werd het ook door het SMAK georganiseerd, en het heeft nauwelijks enige impact op een serieuze wereld. Track wil de stad veroveren. Hier werd al eerder gezegd dat men zich zou beperken tot de politiek-correcte, multiculturele wijken (straten). En inderdaad, men durft nauwelijks de stadsring over te steken, de banlieue van Gent wordt niet verkend. Het kan toch niet dat de toeristen zien hoe de publieke ruimte door het stadsbestuur verknoeid werd, hoe de macht van de sterkste, de luidste en de meest agressieve in het openbaar domein getolereerd wordt, hoe de urbanisatie ondoordacht en ronduit dom gebeurd is, hoe de grote reclamecampagnes slechts façade blijken te zijn. En hoe het stadsbestuur wangedrag subsidieert. Catharina de Grote had tenminste nog het lef een Potemkin te bouwen en te tonen.
Gent, zegt het stadsbestuur, is een gezellige stad. Tof en fantastisch. Ook gastvrij en een stad van kennis en cultuur. Veel mag betwijfeld worden.
Voor Track heeft de kunstenaar Christoph Büchel een sociaal-artistiek project uitgewerkt.
Oorspronkelijk had Büchel een ander idee. Hij wilde een nudistenkamp in de Sint-Baafsabdij onderbrengen. Er waren reeds contacten met de buurtimam maar blijkbaar is er toch iets gebeurd waardoor het project niet is doorgegaan. Het probleem voor de curatoren was: moesten de bezoekers naakt zijn of mochten ze gewoon met hun kleren aan toekijken.
Nadien was de inspiratie van Büchel ook op en heeft hij gewoon de werkelijkheid gekopieerd.
Hij nodigt armen uit om zich als dagloner aan te bieden. Er zijn natuurlijk geen werkgevers maar de mensen kunnen een kom soep krijgen en als ze op de gepaste dagen komen, krijgen ze ook Nederlandse les. Over aprilgrappen, kleine vissen die door grote worden opgegeten, hoe de cultuur van de onderklasse de hele maatschappij doordrenkt heeft: we zien de ander nog slechts als een object om uit te lachen. En dit wordt door het stadsbestuur betaald.
Zo ook dit project. Alles is nep. De kunstenmaker wil mensen bewust maken (wat een misbruikt begrip is) van veel maar hij gebruikt daarvoor wel de verkeerde mensen. Iemand die in de armoede leeft, wil geld verdienen. Hoe dat gebeurt, is hem om het even. Voor armen kan het daglonerssysteem een redding zijn. Wie de taal niet kent, geen technische bagage heeft, geen specifieke vaardigheden kan door dit systeem geholpen worden. Het verhaal dat Büchel wil vertellen is daarom inhoudelijk fout, een typisch product van een sociaal-artistiekeling: hij weet hoe gemakkelijk politici geld geven voor dit soort moralistische projecten.
En inderdaad, zowel de stad Gent als de Europese Gemeenschap heeft toegestaan dat voor dit nepproject de officiële logo's gebruikt mogen worden. Met andere woorden: officiële instanties laten toe dat in hun naam mensen bedrogen worden. Meer zelfs: de kunstenaar wordt betaald, de curatoren worden geprezen, de mensen die enige hoop in dit project gesteld hebben, krijgen een bord linzen. (En wie kritiek heeft, wordt vervolgd en met broodroof bedreigd.)
Het gaat hier om een moreel failliet. Argumenten hoeven niet: je bedriegt geen sociaal zwakkeren, je lacht geen armen uit. De rode is een zwarte arrogantie.
Maar wat is er te verwachten van een stadsbestuur dat
De titel van het boek dat in 1989 verscheen is "Explicateur en advocaat van mijzelf: Nol Gregoor in gesprek met Willem Brakman". Brakman houdt in deze interviews een pleidooi voor de gevoelsmens die naar zijn aanvoelen in de verdrukking staat. Hij verklaart zichzelf opdat de anderen hem zouden aanvaarden. Hij verklaart dit levensgevoel o.a. door te wijzen op de weigering het leven zoals het leven is te aanvaarden. Wat men de onherroepelijkheden van het leven noemt, moeten daarom niet ongecontesteerd blijven. Hij verzet zich tegen dat wat onvermijdelijk is. Hij zoekt geen oplossing voor de in zijn boeken gestelde problemen, wel verlossing. Dit laatste betekent begrepen en dus aanvaard worden door een medemens (de liefde, de vriendschap, de lezer). De gevoelsmens is uiteraard een oude categorie die gemakshalve romanticus genoemd kan worden (sommige theoretici reduceren dit tot het postmodernisme). Brakman wijst echter op de inhoudelijke rijkdom van het protest, ook als het protest zinloos is; de aanvaarding is de dood. Het protest is noodzakelijk omdat het een verweer tegen de normnivellering is: het komt op voor het andere, het staat op tegen de algemene domheid.
Gerben Wynia gaf deze gesprekken (ook) uit omdat hij de vroege romans van Brakman wil (her-)waarderen (ook dat een protest tegen de usurpatie door het postmodernisme). Uit deze gesprekken blijkt echter dat de vroege Brakman reeds de late Brakman in zich borg. De aanval op de logische ordening, ook in het kunstwerk, is immers een verdere uitwerking van de theorie over de gevoelsmens. Brakman zegt: 'Ik ben er beslist van overtuigd, dat wij dus een kunstvorm krijgen die juist in de duisterheid van zijn vorm de redding gaat zien van het eigen individu.' (p. 52). Brakman zal zelf voor die kunstvorm zorgen.
Hij komt daarmee in de buurt van zijn (onoplosbaar) conflict: hij wil mededeelzaam zijn maar het individu is onmededeelzaam.
Het oeuvre van Brakman is daarmee een explicatie en een verdediging van een mensentype dat bedreigd wordt. Het is een egocentrisch oeuvre maar het zegt ook iets over deze wereld, de wereldonverdraagzaamheid.
Betreffende de vrouwen: Boon: 1 Claus: 9
Betreffende Jan De Lichte: Boon: 7 Claus 8
Betreffende het plastisch talent: Boon: 1 Claus: 6
Betreffende vertalen: Boon: 0 Claus: 7
Betreffende de biografie: Boon: 0,5 Claus: 0
Betreffende de academische interpreten: Boon: 0 Claus: 7
Betreffende politiek inzicht: Boon: 10 Claus: 2
Betreffende het theater: Boon: 0 Claus: 8
Betreffende het acteertalent: Boon: 7 Claus: 9
Betreffende de kritiek: Boon: 2 Claus: 8
Betreffende de drank: Boon: 4 Claus: 7
Betreffende de poëzie: Boon: 1 Claus: 9
Betreffende de diminutief: Boon: 9 Claus: 0
Betreffende de lezers: Boon: 4 Claus: 7
Betreffende de vestimentaire smaak: Boon: 1 Claus: 6
Betreffende de slechte vrienden: Boon: 7 Claus: 7
Betreffende het vele: Boon: 10 Claus: 0
Betreffende het andere vele: Boon: 0 Claus: 10
Betreffende het jaarboek: Boon: 3 - Claus: 3
Betreffende de verscheidenheid: Boon: 4 Claus: 7
Betreffende de politieke aanhankelijkheid: Boon: bah Claus: bah
Betreffende De Kapellekensbaan: Boon: 10 Claus: 0
Betreffende Zomer te Ter-Muren: Boon: 10 Claus: 0
Betreffende De mensen hiernaast: Boon: 0 Claus: 10
Betreffende boekconstructie: Boon: 8 Claus: 4
Betreffende de intelligentie: Boon: 9 Claus: 7
Betreffende de Nobelprijs: Boon: 5 Claus: 5
Betreffende de commercie: Boon: 2 Claus: 9
Betreffende intertekstualiteit: Boon: 6 Claus: 9
Betreffende het nageslacht: Boon: 1 Claus: 2
Betreffende de stem: Boon: 0 Claus: 10
Betreffende bibliofilie: Boon: 1 Claus: 4
Betreffende humor: Boon: 4 Claus: 5
Betreffende geluk: Boon: 2 Claus: 7
Betreffende prijzen: Boon: 3 Claus: 9
Betreffende debuut: Boon: 9 Claus: 9
Betreffende intelligente vorsers: Boon: 2 Claus: 8
Betreffende Het graf van Pernath: Boon: 0 Claus 10
Betreffende misverstanden: Boon: 9 Claus: 8
Betreffende de nalatenschap: Boon: 2 Claus: 6
Betreffende het fotogenieke: Boon: 2 Claus: 9
Betreffende de angst: Boon: 10 Claus: 2
Betreffende het sterven
"Ziel" verscheen op 9 juli 1982 in NRC-Handelsblad, toen het ding met die naam nog een krant was. In 1985 maakte Hein Elferink van de tekst een boekje. Klassiek gezet uit de Bembo; negentig exemplaren werden met de hand Arabisch genummerd, 20 gedrukt op Zerkall-Bütten en gebonden door Binderij Phoenix, deze laatste exemplaren werden Romeins genummerd. Het boek meet 15 breed en 25 hoog. Het werk is klassiek vormgegeven. De Franse titelpagina bevat echter bevreemdend - de auteursnaam en de titel van het werk gescheiden door een dubbele punt. Op de titelpagina zelf werd de titel bruinrood gedrukt. De tekst telt 9 bladzijden (het boek 20), klein gezet. Er is te lezen.
Het is een Brakmanverhaal, met typische Brakmanwoorden als weemoed, delicaat, woest en lauw. Het is een hoekig verhaal, net zoals het wereldbeeld van Brakman dat is. Bij hem is de wereld niet goed, niet af of volledig en rond als een bol. Er zijn steeds haken, ogen, versplinteringen, oneffenheden: 'precies zoals het wezen moest'. Brakman is 1 van de weinige auteurs die het onvolmaakte als het normale beschouwt. De meeste schrijvers blijven platonist.
Het verhaal? Een vrouw ontmoet een man, ze verkoopt haar ziel zoals vrouwen dat in de stationsrestauratie plegen te doen. Brakman beschrijft een veranderingsproces , hoe de vrouw, Heuga genaamd, daarna van de wereld en de mensen vervreemdt en hoe ze uiteindelijk door de duivel wordt aangerand en dus ook 'het hele erge' heeft meegemaakt.
Brakman bewijst eens te meer de kracht van de taal i.t.t. de postmodernisten had Brakman wel degelijk vertrouwen in zijn eigen werktuig , die een transformatie kan tonen maar ook een verandering kan teweegbrengen: wat eerst niet bestond, bestaat plots wel.
Dit verhaal lijkt een voorbode te zijn voor "Moenens luchtige sprongen" (2005), 1 van die late, meesterlijke romans van Brakman, een hervertelling van Marieke van Nieuwmegen.
Juist omdat Hein Elferink in 1992 ''Kunstenaarssociëteit'' uitgaf, vallen ''Barbaars gebrul'' en ''Ludwig in De Kokerjuffer'' zo negatief op.
In 1992 was Willem Brakman 70 jaar geworden. Hein Elferink gaf bij deze gelegenheid 3 boekjes uit. Laten we beginnen met het beste. Mooi vormgegeven, een klassieke letter (de Fournier) en gedrukt op Zerkall-Bütten. De oplage bedroeg 50 op de pers genummerde exemplaren. Na de titelpagina volgt op de rechterpagina een soortement motto en ongewoon- verschijnt de tekst op de daaropvolgende linkerpagina. De eigenlijke tekst beslaat twee bladzijden (die dus tegenover elkaar liggen).
Brakman beschrijft in 'Kunstenaarssociëteit' een oud artiestencafé uit Enschede. Omdat alle cafés er altijd en overal eender uitzien en omdat de cafégangers altijd en overal dezelfde zijn, moet een caféverhaal noodzakelijk vervelend zijn. Niet bij Brakman natuurlijk. Wat altijd en overal te zien en te horen is, beschrijft hij op een dusdanige manier waardoor niet het beschrevene maar de observator centraal komt te staan. Het verhaal dijt uit naar een beschouwing over kunst, musea en een pleidooi voor individualiteit. 'In de onverdraagzaamheid, het pathos der onverzoenlijkheid is kunst kritisch geworden en in het streven naar eigen ondergang ligt haar ernst, redding en noblesse.'
''Barbaars gebrul'' en ''Ludwig in De Kokerjuffer'' hebben een oblong-formaat: 15,5 hoog en 19 cm breed. De titel van het eerste boekje staat helaas cursief, de titel van het tweede boekje is een al te sierlijke, kermisachtige letter. Net alsof er in het werk van Brakman oppervlakkige frivoliteit te bespeuren zou zijn.
De oplage van deze beide boekjes was 50 exemplaren, op de pers genummerd. Het papier was Hahnemühle, een opzichtig bibliofiel papier, bovendien bruinachtig. Hier te opzichtig omdat het formaat dit zwaar papier nauwelijks kan dragen: er is daardoor geen maat, geen juiste verhouding tussen tekst, formaat en drager. Het gaat telkens om een korte tekst van Brakman die ook nu geduid wordt door Gerben Wynia.
''Barbaars gebrul'' noemt Brakman hij kende toen nog niet 'de bibliotheek van de 21ste eeuw' het lawaai van militair tuig dat in de lucht hangt. De commandant van het vliegveld Twente beweerde dat de mensen maar moesten leren leven met het militaristisch lawaai van vliegtuigen, waarop Brakman vanuit de cultuur repliceerde: 'Nu is het juist een van de positieve krachten in de geschiedenis geweest dat men zich juist niet heeft neergelegd bij alle verschijnselen die hinderlijk, ergerlijk, onacceptabel waren en de kwaliteit van het leven in hoge mate aantastten.'
''Ludwig in De Kokerjuffer'' is de weergave van een lezersbrief voor 'Tubantia' die Brakman geschreven had n.a.v. de vertoning van de film 'Ludwig' van Hans Jürgen Syberberg in het 'jeugdhuis' 'De Kokerjuffer'. Ludwig II van Beieren speelt de hoofdrol in de roman ''De blauw-zilveren koning'' (1977). In deze roman bepaalt Brakman zijn verhouding tot de romantiek. (Brakman heeft de film in 1974 gezien.)
De lezersbrief dan? Brakman uit zijn dankbaarheid omdat hij deze film heeft kunnen zien. Ondanks de schamele behuizing: wat een film, wat een ervaring.
Nee, het zijn geen denderende teksten die hier uitgegeven werden. Toch zijn deze teksten relevant omdat ze naar de bron van het schrijverschap gaan en in het geval van 'Ludwig in De Kokerjuffer' misschien wel getuigenis afleggen van het kiemen van een roman. Toch kunnen we ook in elk ervan de schrijver Brakman ontmoeten. Altijd zijn weerbarstigheid. Het is daarom jammer dat juist dit kenmerk niet tot uiting kon komen in deze bibliofiele uitgaven. Hoe esthetisch schoon ze ook mogen zijn.
Hein Elferink gaf nog 5 andere boeken van Willem Brakman uit. ‘Met een klein handje’ verscheen in 1990. Gerben Wynia verklaart in een nawoord de titel en de tekst, een brief van Brakman aan Simon Vestdijk. Hoe snel het keren kan, daarvan is Vestdijk een schrijnend voorbeeld. Tijdens zijn leven uiterst productief. Zijn werk werd door de literaire kritiek steeds gevolgd, hij was een nationaal figuur. In Vlaanderen heeft hij echter nooit het statuut van de grote schrijver gehad: te onbekend gebleven, te Nederlands. Zijn werk werd verschillende malen als ‘verzameld werk’ uitgegeven en nu? Nu is er niets meer te verkrijgen. Tenzij op bestelling, dan maakt zijn weduwe voor u een boek : http://www.svestdijk.nl/mv/index.html .
Om het werk van Brakman echter ten volle te kunnen begrijpen, moet juist ook dit oeuvre bekeken worden. Want Brakman schreef voor en tegen Vestdijk. Vestdijk was voor hem een meetpunt maar ook een te nemen hindernis. In de MEW schreef Jaap Goedegebuure in het wel zeer korte lemma Brakman, Willem: “Zijn romans en verhalen, […], verraden in hun psychologisch realisme, scherpe analyse en onderkoelde humor de invloed van Vestdijk.’ Tussen Brakman en Vestdijk is er een correspondentie geweest. In ‘Met een klein handje’ verscheen de enig overgebleven brief van Brakman aan Vestdijk. Er is echter geen kruiperigheid bij Brakman te bespeuren. Reeds in de eerste alinea toont hij hoe verguld hij is met de kritiek van Vestdijk op ‘Die ene mens’, de tweede roman uit 1961. In de tweede alinea behandelt hij Vestdijk als een kompaan aan wie hij enige scabreuze details kan verklappen (<dat zij gearticuleerde geluiden voortbracht met haar ‘dinges’>). Er zijn confidenties over de broer van Menno ter Braak en over de lamentabele staat van de psychiatrie. Tot slot geeft hij Vestdijk een goede raad. Opvallend is dat Brakman ook in deze brief zijn vertelzucht laat zegevieren: meer zelfmededeling dan dank, ontzag of interesse in de ander. Ook en alweer hilarisch. De geest triomfeert. Het boek werd door Hein Elferink gedrukt in een oplage van 65 op de pers genummerde exemplaren. De letter was de Baskerville, het boekformaat 16,5 breed en 25 cm hoog. Een niet zo goede prent van Brakman zelf is het frontispice. Hier hebben we een voorbeeld van de bescheiden maar toch indrukwekkende typografische kwaliteit van Hein Elferink. Er is een ruime marge en vooral die aan de onderzijde van het blad geeft de tekst ruimte en de lezer adem. De vormgeving is klassiek en daardoor wordt het werk van Brakman alle eer betoond. Het boek werd in een speciaal voor deze uitgave gedrukte enveloppe geborgen.