aagje, ziek in het bedje
Ik dacht nog: Aagje Swinnen heeft die niet een aantal jaar geleden een nogal licht boek gepubliceerd? Jawel, ‘Het slot ontvlucht: de ‘vrouwelijke’ Bildungsroman in de Nederlandse literatuur’.
Voor het behalen van haar doctoraat, stelde Aagje Swinnen een theorietje op en zocht daarbij een aantal vrouwenromans bij elkaar. Ze schreef een samenvatting en bewees zo haar, euh, idee?. Een doctoraat halen aan de universiteit van Gent is niet zo moeilijk.
Ze deelt de ‘vrouwelijke’ Bildungsroman in, in vier subdivisies. De eerste is de groei naar huisvrouw, prototype is hier ‘Sara Burgerhart’. De tweede is de verinnerlijking, voorbeeld is hier ‘Dood van een non’ van Maria Rosseels. De derde is de kunstenaarsroman. Swinnen behandelt dit in haar meest bijzondere hoofdstuk: de chaos, de onduidelijkheden en de verwarring zijn hier troef. ‘De wetten’ van Connie Palmen staat nu centraal. En tenslotte, in nummer vier, wordt de leeftijd een onderscheidende factor. Monika Van Paemel wordt een ‘fervente verschildenkster’ genoemd.
Haar inleiding is verward en chaotisch. Ze haalt allerlei boeken aan maar nergens heeft de lezer de indruk dat dit nu verwerkt wordt tot een eigen inzicht. Elk boek is een draad, alle boeken samen vormen een kluwen, geen sjaal. Toch tracht de auteur hier en daar een feministische toets (als bindend element) aan haar werk te geven maar dit verslechtert haar werk nog - tenminste als men verwacht dat een doctoraat ook een wetenschappelijk werk is. De schrijfster ontbeert sociologische, historische en filosofische basiskennis. Haar bespreking van het werk van Betje Wolff en Aagje Deken is hiervoor symptomatisch. Ze kan wel menen dat dit werk burgerlijk is en slechts een zwakke vorm van ‘vrouwelijke’ Bildungsroman (de schrijfster zet ‘vrouwelijke’ zélf tussen aanhalingstekens –begrijpe wie kan) maar weet niet dat de burgerlijkheid van de achttiende eeuw een revolutionaire kracht was. Soit. Even erg is dat ze meent dat er nog zoveel ‘vrouwelijke’ meesterwerken zijn die door de mannelijke (!) canon veronachtzaamd zijn maar zelf doet ze geen enkele moeite die meesterwerken op te sporen. Integendeel, ze promoveert een aantal tweede- en derderangschrijvers tot ‘interessant’ werkmateriaal. Quod non. Er is in haar studie ook een interne contradictie. Ze bouwt een classificatiemodel op én ze wil zich in het postmodernistische discours voegen. Maar dat kan niet. Je kunt niet tegelijkertijd beweren dat het vastleggen van grenzen, van modellen mannelijk is en tegelijkertijd een ideologisch stuk afleveren dat zich tegen dat mannelijke verzet.
Aagje Swinnen werkt nu aan de Universiteit van Maastricht en lees hieronder wat ze over zichzelf vertelt. Dit alles in de nieuwe stijl: gewolkt, genietst, gelucht.
De tweede alinea: ‘ik bewonder, ik ben blij, ik voel, in het bijzonder als voedingsbodem gefungeerd voor de uitbouw van mijn identiteit als onderzoeker’, enz.
Dit is holle retoriek. Lees ook de zin: ‘Het welzijn van senioren is mijns inziens rechtstreeks verbonden met ons totnogtoe ontoereikende vermogen om veelzijdige betekenismodellen voor ouderdom en veroudering te verbeelden, die de eendimensionale concepten ‘verval’ versus ‘wijsheid’ kunnen bijstellen.’
Lees dit nogmaals.
En lees ook het slot. (Was het maar mogelijk.) Wij ontvluchten ondertussen.
“In mijn Veni-onderzoek, getiteld ‘The Study of the Literary Imagination of Reminiscence in the Reifungs- and Vollendungsroman from a Genre and Gender Perspective’ probeer ik een dialoog tot stand te brengen tussen de inzichten van de narratieve gerontologie (de tak van de gerontologie die zich concentreert op de formulering van het individuele levensverhaal) en die van de narratologie (de literatuurwetenschappelijke vertel- en verhaaltheorie) aan de hand van het genre van het ontwikkelingsverhaal van de senior. Momenteel wordt het onderzoek uitgebreid naar de representatie van ouderdom en veroudering binnen andere - niet louter realistische - genres, toegespitst op een verzameling Europese teksten. Twee oude vrouwtjes van Toon Tellegen vormt één specifieke casestudie. Over de impact van de vergrijzing wordt vaak uitsluitend gesproken in termen van economische meerkost ten gevolge van medische vooruitgang. Ik wil vanuit een cultuurwetenschappelijk perspectief alternatieve betekenismodellen onderzoeken voor ouderdom en veroudering in beeld en tekst. De achterliggende overtuiging is dat artistieke productie de ontwikkeling van nieuwe werelden kan faciliteren.
Bij de Universiteit Maastricht ben ik terechtgekomen via prof. dr. Maaike Meijer. Zij zat in de leescommissie van mijn proefschrift dat ik verdedigde aan de Universiteit Gent. Ik bewonder professor Meijer om de wetenschapper en persoon die zij is en ben blij dat ik een plaats gevonden heb binnen het onderzoeksteam van het Centrum voor Gender en Diversiteit. Als onderzoeker voel ik me vooral geïnspireerd door de onderdompeling in andere nationale onderzoeksculturen. Mijn studieverblijven aan diverse Zweedse universiteiten hebben in het bijzonder als voedingsbodem gefungeerd voor de uitbouw van mijn identiteit als onderzoeker. Ook de deelname aan internationale conferenties in mijn studiegebied zijn vruchtbaar, omdat ze mijn overtuiging sterken dat onderzoek de vinger aan de pols moet houden van de moderne samenlevingsproblematiek – een voor literatuurwetenschappers controversiële stelling. Het welzijn van senioren is mijns inziens rechtstreeks verbonden met ons totnogtoe ontoereikende vermogen om veelzijdige betekenismodellen voor ouderdom en veroudering te verbeelden, die de eendimensionale concepten ‘verval’ versus ‘wijsheid’ kunnen bijstellen. Tot slot laat ik me leiden door cultuurproducten die me op de ene of de andere manier bijzonder weten te raken. Lezen beschouw ik als een groot plezier en de ultieme verrijking van mijn geesteswereld.”



Comments [0]