vincent de roder

Wat doet het werk van Vincent de Roder? Je komt de zaal binnen en spontaan denk je aan Joseph Albers, zelfs aan Bridget Riley, haar late werk. Je verbaast je over de kleuren, de vormen. Alle werken bij Croxhapox in Gent hebben hetzelfde formaat. Sommige zijn horizontaal, andere verticaal opgebouwd. Je denkt niet aan de verf of hoe het schilderij is opgebouwd. Je kijkt en je verliest. De werken zijn zichzelf, bouwen zichzelf op. Altijd gelukkig wanneer schilderijen geen dialoog moeten aangaan. Als ze zwijgen.

Dan nader je een schilderij en je ziet dat de verf geen ‘kunstenaarsverf’ is maar lakverf, dan zie je dat onder de kleuren en de vormen bewegingen ‘verborgen’ zitten maar toch zichtbaar gelaten zijn. Er zijn vlekken, onregelmatigheden. Er is niet naar perfectie gestreefd. Er ontstaat verwarring.

Abstracte kunst refereert altijd aan een platonische wereld van niet-aardse, ijle, absolute, perfecte vormen. Hier niet: er is gewerkt. Het schilderij kent lagen. Het verleden is zichtbaar, wordt bewust getoond en ís het kunstwerk. De Roder toont schilderijen waar het werkproces integraal deel uitmaakt van het werk. Zijn de schilderijen dan onaf? Geenszins. Maar de onvolkomenheden, de onvolmaaktheid (werken is iets anders dan scheppen) zijn de kern van dit werk. Er is contemplatie mogelijk, maar vooral is er toch beweging.

De manier van schilderen wordt getoond en omdat het menselijk is, is het niet volmaakt. De struikelende mens wordt omarmd. De vormen zijn minder ijl (dus minder abstract) dan ze lijken. Ze staan dicht bij ons, bij gevoelens, gedachten. Er is negatie in de werken, er wordt binnen het werk zelf tégen-gewerkt maar niet op een agressieve manier. Het zijn mogelijkheden die getoond worden. Soms zie je een strandgezicht, de zee, soms denk je aan Jean Brusselmans, de landelijkheid van een haag. Niet dat de connectie met het figuratieve belangrijk is (of er is) maar wel ervaar je een sfeer van menselijkheid, medelevendheid.

Het belangrijkste: evenwicht. Er is geen schilderij dat uit de haak zit: elk schilderij is volstrekt bewust opgebouwd. Wat zichtbaar gelaten is, heeft een picturale en architectonische functie.

Hoe komt het dat dit werk een geluksgevoel oproept? De vormen zijn stil, nee, er wordt niet geroepen. De kleuren zijn zelfstandig, vloeken niet met elkaar maar zijn ook niet naast elkaar gelegd zoals handboeken het aanraden. Er is de stilte van het werk zelf, het geheel. Een oeuvre dat zwijgt en wenkt. Maar volstrekt persoonlijk is door het kleurgebruik, door de vormen die voor iedereen herkenbaar zijn maar toch weer anders getoond worden.

(download)

leegte lacht_tonnus oosterhoff (4)

In de bundel ‘Leegte lacht’ van Tonnus Oosterhoff komt een merel voor. We hadden in de merelreeks al een ander gedicht van hem opgenomen: http://sfcdt.posterous.com/de-merel-in-de-literatuur-42 . In de nieuwe bundel kan de merel tegen de kraai afgezet worden. Deze laatste het negatieve element (‘Over één nacht’).

Het gedicht ‘Overal in Nederland vandaag hetzelfde weer’ (p. 30) gaat over de dwang van de hedendaagse cultuur, het ‘Unbehagen’, de verveling, het heimwee. De tweede regel zou een gevleugelde uitdrukking mogen worden: ‘en rust is thee van dood’. Het gedicht bestaat uit twee strofen, twee tijdsmomenten worden tegenover elkaar gezet. De eerste strofe is het nu. De eerste regel drukt een vermoeidheid uit ‘Overal in Nederland vandaag hetzelfde weer’: wat een plat land, hier is niets te beleven. En dan is er televisie wat het — naar het schijnt — wel een beleving zou zijn. Maar wat een onnozelheid: Barbapapa die zich als een boor in een kussen boort. ‘Alle kinder-tv is / misdadig geschmier. Lucht! Buitenlucht!’, roept de dichter uit.

Dat brengt hem bij zijn jeugd. In het eerste deel van het gedicht is het verleden al gekropen: het heden bestaat niet op zichzelf. Hij denkt aan de beschutting, het half-verborgene van het talud, privé-sfeer in de buitenruimte: ‘Dit is het talud / waar ik vroeger rookte. Eeuwige merel, waar ben je? / Kribbigheid, hete wangen, afnemende levenskracht.’ Zo eindigt de eerste strofe. Er is het weer, het vlakke land, de televisie en het kind, de herinnering, de laatste regel het besef van de voortschrijdende tijd. ‘Eeuwig’ kan twee betekenissen hebben. Die ‘eeuwige’ verveling, dat ‘eeuwig’ gezeur. De overdrijving: het is er altijd. Een ondertoon van wrevel, ongedurigheid, de tijd die stilstaat.

Eeuwig kan ook positiever zijn: en altijd was er de zon, die liefde voor I. die maar blijft duren, eeuwige trouw. Het is in die tweede betekenis dat ‘eeuwige merel’ begrepen mag worden: de tijd van het geluk, de tijd van het zingen, de jeugdjaren. Eeuwig leken ze te zijn, de tijdloosheid van het moment.

De tweede strofe begint met een bijna gelijkaardige beginzin als in het eerste deel ‘Het was overal in Nederland hetzelfde weer.’ Toch is de betekenis anders: ‘overal’ en ‘hetzelfde’ duiden nu op een geluksgevoel, er is een eenheid, een onzichtbare en tot niets verplichtende gelijkheid, er was geen wrevel, maar een opgenomen-zijn in het universum. Dit is geluk: na school een sigaret roken, een poes zien lopen, een theepot in het gras, de merel en verre geluiden: ‘De geur van mest, het weerbericht zwak uit het open raam, / de merel, de schemer.’ Er was een heelheid. Toen Nederland nog …

Tonnus Oosterhoff breekt deze begoocheling: ‘maar ik doorzag al’. En nu verwacht je een uitspraak die alle dingen in het juiste perspectief zet. Maar de dichter doet dit niet. Hij gebruikt een niet-eenduidig beeld. ‘Alles vulde en was vol / maar ik doorzag al: een plastic zakje / voor onderweg, een vis op de markt gekocht in kraanwater, / juist toereikend voor het vervoer van een gewoon wonder.’

Het zou gelezen kunnen worden als zorg, maar dit is te oppervlakkig. Oosterhoff suggereert een overgang van de ene gevangenis naar de andere. Het leven als een luchtbel. De mens in een cocon. Het plastic zakje is een verwijt: rommel dat het water en de vis voor even bij elkaar houdt, de rommel van dit leven. Er is ook geen betovering: het gewone is het leven is een wonder. Het sublieme is hier van geen betekenis. Leven is passeren. Tonnus Oosterhoff is één van die dichters die dan eindelijk de negentiende eeuw achter zich gelaten hebben.

In het gedicht ‘Dichters storten zich namens de mensen’ staat een van de mooiste hedendaagse sprookjes. Je weet niet of het gruwel of schoonheid is. Is het egoïsme of altruïsme? Vrije wil of gedoemdheid? Geeft hij of moet hij? Is het zingen lokkend of verstrooiend? De ambivalentie van het laatste woord betekent zand onder de voeten. ‘Een haai had een radio ingeslikt. / Door de stand van zijn tanden / was het dier niet in staat deze aan de zee / terug te geven. In elke baai die hij aandeed zong / haai noodzakelijk de liedjes van het land. / Als hij niet gezonken is wordt hij / door het leven nog voortgeroeid.’

leegte lacht_tonnus oosterhoff (3)

Tonnus Oosterhoff smokkelt in zijn gedichten zinnen van anderen binnen. Omdat hij ze zelden als citaat markeert, kan zo’n bewering al te roekeloos zijn. De lezer zou anders kunnen lezen dan wat de dichter zelf bedoeld heeft. Verwijst Oosterhoff in ‘Ware grootte’ naar ‘Interview’ van Hugo Claus als hij in het gedicht ‘Waarom is neuken een pompbeweging, spuitgasten’ schrijft: ‘Willen komen bij waar je naar wijst, / wat is dat voor ambitie? Je vinger achterna?’ Het gedicht van Claus uit ‘Wreed geluk’ (1999) heeft intussen de status van een onvergetelijk vers gekregen: ‘Buiten wijs ik met mijn vinger naar de / maan. / Hij blijft kijken naar mijn vinger.’ ‘Ware grootte’ is de bundel van de menselijke maat. Wat is werkelijkheid? Wat is de mens? Wat weet hij? Wat is afstand?

In het gedicht ‘Als je niet buigt’ is de regel ‘geef mij je handje, kind, ik word een blinde.’ een herinnering aan ‘Het berg-meer’ van Karel van de Woestijne. Er is een verwijzing naar de Bijbel en enkele regels verder naar de ’patafysica: ‘Wie heeft het meetsnoer over de aarde gelegd?’ Er zijn verwijzingen naar ‘Repelsteeltje’, de zaak-Dutroux, de Middeleeuwen, de vorstenspiegel, de steen van Christus.

Nachtelijke onrust.

In ‘Leegte lacht’ is er opnieuw een verwijzing naar een ander onvergetelijk vers van Claus. In het zondebokgedicht ‘Dichters storten zich namens de mensen’ schrijft Oosterhoff ‘Je twaalf lezers, je veertien belachelijke lezers.’ Het gedicht ‘Envoi’ (Alibi, 1985): ‘Ga elders drammen, rijmen van een cent, / elders beven voor twaalf lezers / en een snurkende recensent.’

In de bundel ‘Leegte lacht’ komt het vers-paar ‘alle kinderen verloren / stroomden opeens onderlangs’ drie maal voor. Een eerste keer (2 maal) in ‘laatst    viel  ik  viel’ (p. 20), een tweede maal in het gedicht ‘Opeens kan ik weer goed en veel lezen,’ (p.32). Toch zijn er wijzigingen. De eerste regel begint in het laatste gedicht met ‘en’ en de beide regels staan in cursief. In het eerste gedicht wordt de eerste maal ‘maar’ voor ‘alle kinderen verloren’ geplaatst. Citeert Oosterhoff zijn eigen gedicht en zet hij het daarom cursief? De volgende regel in dit laatste gedicht is ‘Ik onthoud Hölderlin weer, ik leer Russisch.’ Wat een geruststelling — voor de ik-persoon, voor de lezer. Het humorvenijn zit in de staart: ‘Wel vallen veel dingen van de plank / als ik ze terugzet.’

Het woord nachtkrabbel kan ook gelezen worden als een verwijzing naar Hölderlin. Of ook nog: ‘spraak zonder klank, ware kennis.’ (p. 48). In het gedicht ‘nachtkrabbel’ op www.tonnusoosterhoff.nl verschijnt plots de zin ‘deze man weet niet wat hij doet / hij is een engel’. Er is in deze bundel hier en daar ook de Hölderliniaanse spatiëring tussen de woorden.

Claus dichtte over Diotima, Oosterhoff over het verval. De angst voor krankzinnigheid, dementie, Alzheimer, aftakeling, het verstandsverlies. Terwijl er uit deze poëzie een groot wantrouwen spreekt tegen het louter verstandelijke, het beheersen, het vastleggen van de dingen, de woorden, de mensen. Het keurslijf. Toch is dit geen ‘wilde’ poëzie. Er is bedachtzaamheid en een zorgvuldig leven.

Het gedicht ‘laatst    viel  ik  viel’ is verbrokkeld. Er is de fysieke verschijning. Het gedicht is ‘titelloos’ en begint met het onderbrekingsteken —. Daarvan zijn er dertien. Er zijn twee verhaallijnen. Een ik valt door een slechte plank (en ik schrijf ‘palk’), een tweede verhaal gaat over een wij die door de velden trekken. In het slot komen beide lijnen samen. In dit gedicht worden woorden en zinnen herhaald. Het is alsof de dichter aan het improviseren slaat, een jazzmuzikant in zichzelf gekeerd. De dichter laat de taal los en het is de taal die verder speelt (‘het brein schuimt bruin / het varken haalt verhaal’). Toch is de dichter niet het object van de taal. De dichter is een temmer: hij laat de woorden even los maar haalt ze onmiddellijk met een korte zweepslag weer terug. Woorden als vlinders aan een koordje.

Ook de herhalingen zijn pogingen om iets nieuws op het spoor te komen. Oosterhoff geeft de taal vrijheid totdat er een betekenis komt aanschuiven die hij gebruiken kan: ‘bewaar school de onder rug / vroeger was ik een krom jongetje / met de rug tegen de muur’. We kunnen draden leggen. Bijvoorbeeld op p. 20: schol, schollen, ijsschollen, school’.

Hölderlin: sprakeloosheid en vervreemding. Oosterhoff gaat met de taal op zoek naar nuances, door variaties te laten ontstaan. Hij wil betekenissen zien ontstaan. De dichter is een tovenaar, enigszins beduusd. De nacht, het donker, is de tijd waarin de ongeest kan vieren: de teugels van het verstand laten vieren.

Zou het kunnen dat ‘alle kinderen verloren’ verwijst naar de laatste strofe van Hölderlins ‘Friedensfeier’ waar de dichter ‘die Kinder verloren’ schrijft? En met ‘Kinder’ de mensen bedoelt. Als dit waar zou zijn dan verwijst dit gedicht naar de Gouden Tijd, voor de zondeval, voor het bewustzijn. En zitten we nu met de ‘kromme, magere kinderen’. De ik valt door een plank en ziet de ware gezichten van de mensen. ‘op het water dreef een meter / op de golven dobberde een anker’. Met de ‘meter’ herneemt Oosterhoff een beeld uit ‘Ware grootte’ waar het meten een metafoor van het weten was. Dit wordt verbonden met de Orpheusmythe: ‘in mij kwam (op) dat ik afgedaald was om de wereld / de onderwereld af te wentelen // de opdracht […]’.

De laatste strofe: ‘geen planken maar betoverde kinderen, gestraft / omdat ze uit hun kring een hadden laten verdrinken. / ze hadden het gelachen. ze hadden het gedaan. // de betovering brak (het ijs)  ?’

Merkwaardig is het woord ‘omdat’: de dichter lijkt ons een verklaring te geven maar de verklaring wordt niet begrepen. Er is een onrust, een onzekerheid, een bijna-bevatten maar net niet. Je kunt omschrijven wat de dichter bedoelt, maar toch is er nog meer betekenis. Het onvatbare leeft tussen ons. De ik viel niet door de planken maar de betoverde kinderen deden hem ‘struikelen’: hij ‘brak niets’ (geen ledematen) ‘maar / [hij] brak   niets’ (brak niet de betovering). Het vallen verwijst naar de zondeval, de planken naar de boom van kennis, van goed en kwaad. De kinderen zijn enerzijds mensen uit de jeugd van de mensen, anderzijds de verwordenen (wij). Er is een boven- en een onderwereld. ‘slacht het gordijn’ is het scheuren van de voorwand in de tempel.

We zijn verloren, verloren.

 

leegte lacht_tonnus oosterhoff (2)

Handschreeuwkoor

In ‘Leegte lacht’ van Tonnus Oosterhoff is — alweer — het leven de basis van het dichten. Niet omgekeerd. Deze poëzie is niet geschreven vanuit de vorm maar vanuit de ervaring, het leven. De vorm ligt op het levensgevoel, de feiten, de gewaarwordingen.

De bundel ‘Handschreeuwkoor’ (2008) bestond uit 5 afdelingen: ‘ga even liggen en stond niet meer op’, ‘wie trekt mijn dood lichaam uit bed?’, ‘voor afstand gedacht’, ‘hand schreeuw koor’ en ‘avia pieridum’. De laatste afdeling is een verwijzing naar Lucretius en werd hier al eerder beschreven. ‘Voor afstand gedacht’ bestaat uit 3 bladen: 1 en 2 het handschrift van Oosterhoff, 3 een gedrukte tekst, overigens het enige typografisch gedrukte gedicht in deze bundel. Dit gedicht wordt in ‘Leegte lacht’ overgenomen op pagina 56, het voorlaatste gedicht. Op de twee handgeschreven versies zie je o.a. hoe de dichter twijfelt tussen ‘ik’ en ‘je’: ‘Vannacht zat ik rechtop’ werd ‘Vannacht ging je rechtop zitten…’. In de laatste afdeling komen de woorden ‘Je keek in me’ nog terug: daar krijgen ze de status van een geschrokkenheid, een angst. De herhaling bevat ongeloof, onthutstheid.

Wat is de status van dit handschrift? Het zou nogal romantisch-naïef zijn te denken dat Oosterhoff hier wat kriebelkrabbel doet en dat daaruit dan, zo maar, meestergedichten ontspruiten. Wat zou men denken als er eerst het gedicht en pas later het handschrift was? Wat als Oosterhoff het hier niet over de genese van een gedicht wil hebben maar over de status van het schrift? Dat de gedichten in de Drukseluitgave intiemer en persoonlijker zijn dan in een reguliere bundel, is evident. Typografie is een objectivering van een persoonlijke status. Handschrift behoort tot de intieme sfeer, gedrukte letters tot de publieke ruimte. De paradox is dat Oosterhoff ook dat persoonlijke in een boek en dus in de publieke ruimte heeft ondergebracht. Maar dan wordt de twijfel weggenomen en staat het gedicht daar als een afgerond werkstuk. Het gedrukte gedicht bedekt het andere gedicht. Er is een afstand tussen auteur en lezer, tussen mens x en mens y. In het gedicht staat ‘kudde’ maar misschien is dit een verwijzing naar ‘koor’: de bundel is een koor van handschreeuwen, van op het papier geschreven woorden. ‘Je legt je hand op de onrustige kudde / ver uit staan de ogen.’ De tweede regel duidt op angst, verlatenheid. De redding is de verwijdering, het loslaten: ‘Maar wij zijn voor afstand gedacht, / gebouwd en gebruikt.’

Het gaat over leven en gezondheid. Oosterhoff analyseert en beschrijft zijn eigen gedrag nauwkeurig. Hij trekt conclusies, hij moet zijn vrees bevestigen. Maar dit leven van struikelen, vallen, hinken en verbinden is de basis van het dichterschap. De brokstukken worden aaneengesmeed tot een bundel, zoals het leven een leven wordt. En meteen: een ongeloof in de cultuur: ‘spraak zonder klank, ware kennis.’ (48)

In deze bundel zijn er enkele verwijzingen naar het (nachtelijke) schrijven, de krabbels. Zoals: ‘Teerzwart papier. / Nog zwartere inkt. / De duivel schrijven.’ (19); ‘..y(? onleesbaar)rna’ (25)‘Het plafond schrijft hanepoten lamplicht.’ (25); ‘Nachtkrabbel, ’t is nachtkrabbel   in het donker   zijn alle’ (37); ‘Lezers zijn stel je voor als jonge vaders. […] Ze horen schreeuwen. Chirurg of patiënt?’ (39); 'Half één, nachtkrabbel.' (40).

Oosterhoff geeft de leegte vorm: hij verbindt en heelt. Maar: ‘Wat wij verbinden valt in ons gele doodshoofd weer / uit en uiteen.’ (42). Handgeschreven tekst wordt voor de intieme sfeer bestemd. Bij Tonnus Oosterhoff is veel onleesbaar gemaakt, er zijn woorden over elkaar heen geschreven en sommige tekstdelen zijn doelbewust niet te ontcijferen. Geschreven tekst is een uiting van een individu, een persoonlijkheid. Door de onleesbaarheid wordt de eenzaamheid bevestigd en vergroot.

Verlatenheid. We naderen Hölderlin.

leegte lacht_tonnus oosterhoff (1)

Leegte_lacht_1

Als we de titel van de laatste bundel van Tonnus Oosterhoff, ‘Leegte lacht’, als een half chiasme lezen, dan denken we aan de cynische filosoof Diogenes die vanuit zijn ton (in feite een amfora) de wereld en zichzelf uitlacht. Een dichter die ons doet denken dat hij op deze manier schrijft maar het andere doet. Tonnus Oosterhoff wordt geprezen om zijn vormvernieuwingen. Hier is er al eerder op gewezen dat dit een half lezen is. Lees maar wat er staat.

‘Frans Budé’ is een lofdicht op de dichter Frans Budé. Oosterhoff is grappig, hij plaagt met genegenheid de andere dichter die ongetwijfeld eenzelfde soort humor moet bezitten. Budé is er een van het onverslijtbare ras. Oosterhoff brengt in herinnering hoe hij scholieren helpt, hoe hij een sociale mens is. Oosterhoff overdrijft het goede in Budé om juist dat menselijke aspect nog meer te kunnen benadrukken. De overdrijving is hier een manier om te zeggen dat wat gezegd moet worden, haast onmogelijk is.

Niet alleen zijn daden zijn groots, ook zijn lichaam is dat: ‘als een boom tussen korven bloeit hij’. De wetenschap begrijpt niets van zijn lichaam, kennis komt te kort, en toch daar staat hij en blijft hij (be-)staan, Frans Budé.

De derde strofe is een persiflage op de katholieke ‘Litanie van Loreto’. Oosterhoff heeft uit dat gebed 6 opeenvolgende regels gehaald. ‘Geestelijk vat, bid voor ons, Eerwaardig vat, bid voor ons, …’ wordt door Oosterhoff verbasterd tot ‘Geestelijk vat, bid Frans, Eerwaardig vat, bid Frans, …’. Wie ‘bid voor ons’ op een katholieke wijze afratelt en dit combineert met dialectische klanken, krijgt inderdaad iets als ‘bid vro-ons’ > ‘bid frans’. Het is een ‘typische’ Oosterhoff-tactiek: hij neemt een woord, draait en keert het tot hij het gekneed in zijn gedicht een plaats kan geven.

We hebben hier ook weer te maken met de ‘hoofdletter-problematiek’. Alle recensenten wijzen op de eigenaardige titel ‘Leegte lacht’ en haasten zich dan te verklaren dat ‘Leegte’ een eigennaam is. Maar op pagina 36 staat wel degelijk: ‘leegte lacht’. Geen hoofdletter.

De laatste regel van het gedicht ‘Frans Budé’ is de omkering. Het gedicht wordt op zijn kop gezet. Waar het tot nu toe ging om goed doen, om godsvrucht, om onaantastbaarheid is het slot een bevestiging van het omgekeerde. De goedzak is geen idioot, het altruïsme is geen richtlijn, de gezondheid is wel degelijk wankel. De laatste regel is in dialect gesteld: het is de bevestiging van het privé- tegenover het sociale leven dat in de vorige lijnen tot uiting kwam en beschreven werd. Hoe wordt een mens gezien en hoe is hij werkelijk? Is dit gedicht een beschrijving van de echte Frans Budé of van een persona Frans Budé?

‘Jao, iech bin toch neet gek, laote ze veur miech beie!’ Ook in dit gedicht gaat het weer over de dood.

Zoals Oosterhoff hier de ‘sociale moraal’ bekritiseert, zo deed hij dat met de rede in het eerste gedicht van deze bundel. De aap die staat voor de mens, wil steeds hoger, wil steeds meer weten en wat komt er uit? ‘Smerige poep’. Oosterhoff is een hedendaagse Goya. (De laatste regel van de bundel: ‘Aan boord is de hond nog.’)

Oosterhoff lacht (maar er is wanhoop) en laat ons achter in verwarring. (Niet de dichterlijke verwarring, wel de menselijke. De vrees voor het onheil.) Hij laat de twee zienswijzen bestaan, laat twee mensen hun gang gaan. Hij verhaalt in dit gedicht enkele anekdotes, hij schetst een leefwereld, hij toont zijn bekommernis. En dan laat hij alles los: wat dan nog, laat ons leven.

 

 

 

sociaal

Kunst en cultuur ‘socialiseren’ is de vormen destabiliseren, de kracht ervan wegnemen en de inhoud verzwakken. Daarom wil het nationalistisch-socialistisch beleid de cultuurparticipatie bevorderen: de kunst is dan geen bedreiging meer. De overheid kan dan zelf zeggen dat cultuur een dwarsligger moet zijn, dat cultuur diverse stemmen moet laten horen: het is de overheid die de kanalen bepaalt en controleert. Eenzelfde tendens bij de informatie. De meeste stadsbesturen geven een eigen blad uit. Zogenaamd informatie voor de burger, een verantwoording van wat met zijn geld gebeurt. In werkelijkheid is het een monopoliseren van de informatie. Niet alleen worden andere kanalen daardoor onmogelijk (want ‘overbodig’) gemaakt maar ook worden de onderwerpen en de manier van behandelen in een machtsvriendelijke vorm gegoten. Men doet alsof het journalistiek werk is, in feite is het een propaganda-oorlog die met het geld van de burger tegen de burger gevoerd wordt.

In de sociaal-artistieke valkuil moeten aankomende kunstenaars trappen omdat de overheid de subsidiestromen zo regelt dat men om aandacht te kunnen krijgen regeringswelgevallig moet zijn. De kunstenaar die subsidies weigert, wordt niet gehoord. Een interessante en aankomende kunstenaar is hij die de projecten van de overheid gewillig invult en uitvoert.

De culturele huizen, willen ze (voort-)bestaan moeten aan de opgelegde, politieke normen beantwoorden. Zogezegd nieuwe of hedendaagse kunstvormen moeten gestimuleerd worden, straatgedrag als norm genomen worden. Ik hoor Jaap Kruithof nog altijd beweren, zijn hoofd in de alcoholdampen, dat graffiti de stem van de gewone, onderdrukte mens was. O ja, er zijn slogans op de muren geschilderd die tot nadenken konden stemmen. Maar dat waren geen graffiti.

Sociaal-artistiek betekent vandaag de dag de domheid aan het woord te laten. De participatie is meerdere stommiteiten te laten horen. De stad Gent betaalde een ‘muurschildering’ aan de bibliotheek. Een sociaal-artistiek project: ‘een uiting van jongerencultuur, kunst die participeert in de openbare ruimte, kunst die veredelt.’ Omdat het broddelwerk op een openbaar gebouw aangebracht werd, kreeg het de status van ‘toelaatbaar gedrag’, werd het een deel van het officiële openbare domein. De agressiviteit van de lelijkheid, de domheid en de slechtheid. Binnen de stad Gent is er een dienst die zich uitsluitend met het sociaal-artistieke bezighoudt.

De tekening is kinderachtig dwaas, de teksten zijn seksistisch en schunnig. Door de onnozelheid en de laagheid ervan worden mensen uitgenodigd hun dwaasheid er bij te voegen. Men doet dit dan met graagte. De bedoeling van de ‘muurschildering’ was de seksistische, racistische (in beide richtingen) en tot geweld oproepende ‘slogans’ te verhinderen. Door een minderwaardig werk toe te laten, laat men verdere brutalisering van het openbaar domein toe. Een culturele instelling? Daar lacht het socialistisch nationalisme mee. Macht is het enige wat belangrijk is. De roep van het geld.

(illustratie: bibliotheekgebouw, Gent. ‘Uw moeder aan het zuid’ is een populaire uitdrukking: ‘het zuid’ is het prostitutiekwartier. Het is, zal men zeggen, om te lachen.)

(download)

de ontmanning

Ludwig_hohl_2

Omdat literatuur niet langer evident is. Of exacter gezegd: niet langer een rol in de publieke sfeer speelt, worden argumenten boven gehaald om de literatuur te verdedigen. Allemaal mooi en wel, maar vooral toch zoetsappig. Literatuur wordt ontmand.

Er wordt de nadruk gelegd — in navolging van Martha Nussbaum — op de empathie, het zich kunnen verplaatsen in een andere persoon. Er wordt gewezen op romans waarin verschillende standpunten verhaald worden. Het exotische wordt dichter gehaald. Het escapisme is een kwaliteit, weg van de ‘materiële realiteit’. Tenslotte doet het ons denken over onszelf.

Een tweede strategie is de nadruk op de vorm, los van de inhoud. Dit zou dan een avontuur moeten zijn, het onbekende wordt geëxploreerd, de vorm doet de grenzen vervagen, alles wordt flou en tof.

Men vergeet dat literatuur (kunst) ook als functie kan hebben een standpunt in te nemen, dat er niet gezocht wordt naar een dialoog of een samenwerking, dat er geen begrip moet zijn voor de ander. Integendeel, ‘haat is een deugd’. Literatuur is een bevestiging van het standpunt van de eenling. Literatuur dient om het eigen denken aan te scherpen, om de gedachten te verdiepen, om de grenzen juist duidelijk te bepalen: hier sta ik, daar jullie en tussen ons de oceaan. Het denken leidt er niet toe dat men aanvaarden moet dat iedereen gelijk is en dat iedereen wel iets van dit en iets van dat is. Nee, literatuur zegt ons: ‘geef niet toe’. Vermorzel wormen. De scheiding als morele norm. Het anders-zijn als het anders-zijn.

Ludwig Hohl was zo iemand. Zwitser, in het Duits schrijvend, was hij een Franse moralist. Hij bekeek de wereld en walgde. Wat te doen tegenover de hypocrisie van de burger, de hebzucht van de vrouw, de lamlendigheid van de man, de slaafsheid van het kind? Zijn scheldwoord was ‘apotheker’. Dit beroep verenigde alles: de benepenheid, het weigeren te denken, het gedachteloze doen, enzovoort. Vul zelf aan met de kenmerken van de mensen die u omringen en tegenwerken.

‘Hoe groter geest, hoe groter beest’, zegt de volksmond. Toch blijft de Griekse waarheid overeind dat kennis, moraal en schoonheid een geheel vormen. Ludwig Hohl zegt het zo: ‘Dummheit ist ein Urbegriff; das Böse ist ein abgeleiteter Begriff.’ (Die Notizen, II, 180). Kennis en moraal in 1 zin, de schoonheid in de vorm en de betekenis. Waarheid is schoonheid is eenvoud.

Het krachtdadige nee van een schrijver. Literatuur zou ons moeten leren dat er vele meningen zijn en dat die elk hun waarde hebben. Elk zingt zoals zij gebekt is. Hohl ontkent dit: Lichtenberg, Multatuli en Karl Kraus mogen spreken, de rest moet zwijgen. Het is verleidelijk om de ‘Meinungen’ waarover Hohl het heeft naar onze tijd te verplaatsen. Dit is onjuist. Wat in zijn ogen een ‘mening’ was, zou nu door de krantenredacties nooit gepubliceerd worden: te diepzinnig.

‘… aber ist es denn diesen Menschen nicht erlaubt, auch ihre Meinungen …? Nein. Meinungen müssen bis zu dem Grade der Not angewachsen sein, daß sie nicht mehr nach Erlaubnis fragen. Hätten denn nur Lichtenberg und Multatuli und Karl Kraus das Recht, ihre Meinungen auszusprechen? Ja. Nur diese und diejenigen die ihnen ähnlich sind. Meinungen müssen WIRKLICHKEIT haben, und ihre Wirklichkeit besteht in der vollen Notwendigkeit.’ (Notizen, VII, 102).

Daarom mag de bulderlach weerklinken. Daarom mag er gezegd worden: zwijg.

een nieuwe druksel-uitgave - dertien wijzen om naar een merel te kijken

13-1

Vorige week is in alle stilte de nieuwste vertaling van Paul Claes bij Druksel verschenen. Over Wallace Stevens en zijn ‘merel-gedicht’ is hier al meer geschreven.

Druksel geeft hiermee een tweede vertaling van een Wallace Stevens-gedicht uit. Het eerste, ‘The Poem that took the Place of the Mountain’, was een vertaling door Erik Spinoy en verscheen ter gelegenheid van Druksel 2006.

Voor Paul Claes is dit zijn tweede Stevensvertaling. In ‘De meesters: wereldpoëzie van twintig eeuwen’ (2008) verscheen ‘Of Mere Being’ — ‘Van louter zijn’. Claes schrijft als toelichting: ‘De Amerikaanse symbolist werkte als jurist voor een verzekeringsmaatschappij. Zijn poëzie abstraheert de realiteit. Het postuum verschenen ‘Of Mere Being’ schreef hij toen hij wist dat hij aan kanker zou sterven. De feniks is de mythische vogel die op een vlammende palmboom sterft om weer te verrijzen.’ ‘De Phoenix’ is de titel van een roman van Paul Claes.

Dit gedicht staat dicht bij ‘Thirteen Ways of Looking at a Blackbird’: de onbewogen, niet-vijandige natuur, de gouden vogel, de mens die observeert. Maar vooral is het de spinozistische aanvaarding die indrukwekkend is. De derde strofe: ‘You know then that it is not the reason / That makes us happy or unhappy. / The bird sings. Its feathers shine.’ Vertaald als: ‘Je weet nu dat het niet de reden is / Die ons gelukkig of ongelukkig maakt. / De vogel zingt. Zijn veren glanzen.’

De laatste regels van ‘Thirteen Ways of Looking at a Blackbird’: ‘The blackbird sat / In the cedar-limbs.’ ‘De merel zat / In de cederboom.’

De vertaling van Paul Claes is de derde in het Nederlands gepubliceerde. De versie van Hugo Claus verscheen in ‘Tijd en mens’, nummer 2. Peter Nijmeijer vertaalde het gedicht als ‘Dertien manieren om naar een merel te kijken’ in ‘De mooiste [sic] van Wallace Stevens’ (2003).

Het zingen van de merel verdraagt geen goud, is geen geroep. Deze nieuwe Drukseluitgave is een bescheiden boek. Het werd geprint en het toont er de onvolkomenheden van. De charme van het verborgene.

Het boek is te bestellen bij Druksel: www.druksel.be